Het wemelt van de paarse lupinen in het kamp, schreef de joodse journalist Philip Mechanicus in 1943 in zijn dagboek uit Westerbork: ‘Op de ruwe houten tafels in de woonbarakken staan zij, in oude, doffe conservenbussen, voor de ramen te pronken; zij brengen aldus wat kleur en fleur en geur tussen de goorheid der opeengepakte bedden en de stank van ongewassen kleren en bezwete lijven.’

Die lupinen bloeien er nog steeds. Afstammelingen van het verleden, op z’n minst in gedachten en misschien zelfs biologisch. Maar verder is het op het voormalige kampterrein toch even zoeken naar tekenen van ooit.
Het herinneringscentrum maakte in de loop der jaren een transformatie door: na de opening in 1983 werd binnen tien jaar al gepoogd de zeggingskracht van het terrein te versterken, zo valt te lezen in een bestemmingsplan uit 2017, en weer decennia later voldeed het symbolische en associatieve ook niet meer. Een replica van een wachttoren en prikkeldraad gaven wel iets weer, maar dat werd ‘als volstrekt onvoldoende ervaren’. De grimmigheid moest duidelijker naar voren komen.
Best begrijpelijke overwegingen voor een museum dat zich educatie ten doel stelt en jongeren wil aanspreken. Maar ook een knap lastige zoektocht, die toenmalig directeur Dirk Mulder eens ondubbelzinnig verwoordde in de uitersten: verstilling versus een ‘Zaanse Schans’ van de vernietiging.

Restanten, vondsten, teksten

Van die zoektocht en dilemma’s zag ik op mijn reis in Polen weinig terug. Het statische, associatieve herdenken overheerst er veelal. In Chelmno aan de Ner bijvoorbeeld, een dorpje in het midden van het land, waar in 1941 het eerste vernietigingskamp werd ingericht. De joden uit het getto van Lodz kwamen hier aan hun einde in gaswagens. De nazi’s noemden het Kulmhof, de huidige Polen daarom liever ook.
Terwijl in Westerbork een handtekening werd gezet onder de nieuwe ideeën, ontstond hier vrijwel voor het eerst een volwaardig museum, meer dan zeventig jaar na dato. Het behelst restanten en vondsten, en vooral teksten: grote informatiepanelen, deels in de open lucht, over de geschiedenis van het kamp en het getto van Lodz.
De bezoeker is hier hoofdzakelijk een lezer, in de hitte van de zomerzon, begeleid door het ritmische beieren van de klokken van de naastgelegen kerk, blaffende buurthonden, tjirpende krekels en vanaf de overzijde van de rivier het gestage ruisen van de snelweg, de E30 die Europa doorkruist.

De kern van de vernietiging

Zo’n vijf kilometer naar het noorden, in een uitgestrekt bos, bevond zich het Waldlager: de massagraven, de verbrandingskuilen. Hier geen panelen met een omschrijving, geen entreegebouw, wel een kolossaal monument en enkele plaquettes, voornamelijk in de Poolse taal. Tussen de naald- en loofbomen wandel je langs de sporen, zonder die precies te kunnen begrijpen of doorvoelen, in de leegte, overgeleverd aan de verbeelding, aan wat je er elders over las, terwijl twee buizerds voor je opvliegen. De natuur gaat gewoon verder, al is die waarneming veel indirecter dan bij de lupinen in Westerbork.

Zo hupte in het oosten van Polen, in Treblinka – waar niks meer overeind staat en al evenmin iets is gereconstrueerd – een konijn over het gras waar ooit de gaskamers stonden. Als inzichtelijkheid het doel is, hoe zou dat hier kunnen worden bereikt? Hoeveel moet er zichtbaar en tastbaar zijn in de kern van de vernietiging? Kan het voorstellingsvermogen toereikend zijn?
Historicus Otto Dov Kulka (1933) overleefde Auschwitz en beschreef op latere leeftijd zijn herinneringen. In Landschappen van de metropool van de dood (vertaling George Pape) schetst hij hoe hij zijn hele leven om de crematoria zou blijven cirkelen, als een mot om een vlam.
In 1978, als hij voor een congres in Polen is, besluit Dov Kulka een bezoek aan Auschwitz te brengen. Een collega raadt hem aan niet in het hoofdkamp te blijven: ‘Dat is een soort museum. Als je toch gaat, ga dan naar Birkenau – dat is het echte Auschwitz.’

Kniehoog gras

Dov Kulka gaat. Hij neemt in Krakau een taxi en laat zich bij Birkenau afzetten, om voor de tweede maal in zijn leven door die toegangspoort te gaan. Na zijn bezoek vraagt hij de wachtende taxichauffeur hem voor de poort op de foto te zetten. Onbedoeld of niet, Dov Kulka staat er maar voor de helft op, in tweeën geknipt. En wat vooral opvalt op de zwart-witfoto: kniehoog gras en opgeschoten onkruid. Dit is niet de plek die tegenwoordig meer dan twee miljoen bezoekers per jaar aantrekt.
In Treblinka vroeg ik de receptioniste naar de bezoekersaantallen. Ze zoekt naar woorden in het Engels, schrijft dan met potlood op een vel papier: +/- 60.000. Ongeveer een derde van het aantal dat Westerbork inmiddels jaarlijks ontvangt.
Het ‘echte’ kamp versus het belevingsmuseum: met een stijgende bezoekersstroom komen misschien vanzelf, onvermijdelijk, ook de dilemma’s mee.
Over een jaar of tien nog maar eens terug naar Polen.

Ankie Lok is eindredacteur en freelance journalist. In 2019 reisde ze naar Polen en bezocht daar vernietigingskamp Chelmno, concentratiekamp Majdanek en de vernietigingskampen van Aktion Reinhardt: Belzec, Sobibor en Treblinka.

Lees ook deel 1 en deel 2 van deze blogserie.