Het wordt een moeilijke eeuw voor het dorpse leven in Groningen. Door toenemende gezondheids- en inkomensverschillen, extremere weersomstandigheden en de tol van zeventig jaar grootschalige ruilverkaveling is de toekomst het Groninger dorp nog nooit zo donker geweest. En dat is nog buiten de lange termijn effecten van de aardbevingen en Corona gerekend. Alleen een nieuwe ruimtelijke ordening en een duurzaam landgebruik kunnen het dorp succesvol door de 21ste eeuw loodsen. Een ordening waarin de leefomgeving van mens, plant en dier centraal staat en niet de optelsom van louter economische ontwikkelingen. Maar hoe komen we daar? Door klimaat, gezondheid en leefbaarheid als ruimtelijke opgaven te benaderen. Door grenzen te stellen aan onze economie. Door in onze liefde voor de pittoresque Groninger dorpjes niet blind te zijn voor de onderhuidse leefbaarheidsproblemen. Door een heroriëntatie op ‘de Groninger identiteit’ als grootschalige landbouwprovincie. En bovenal door dorpsinclusief te leren denken. Hier is moed en creativiteit nodig, bij veel partijen. En een geloof in maakbaarheid.

Protagonisten van een nieuwe ruimtelijke ordening 

Het wemelt in het Groninger beleidsland van de gewenste maatschappelijke transities. De digitalisering, de groene chemie, de natuurinclusieve landbouw en de shift van zorg naar preventie. Allemaal bewegingen om de Groninger vooruit te helpen naar een betere toekomst. Opvallend is dat de belangrijkste randvoorwaarde tot deze transities, de ruimtelijke ordening, nergens expliciet centraal wordt gesteld. In een signaleringsrapport pleitte het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) daarom onlangs voor een landschapsinclusief omgevingsbeleid. Die zou volgens het PBL de andere transities aan elkaar kunnen verbinden, of er zelfs een hiërarchie in kunnen aanbrengen. Intuïtief of doelbewust deed de Commissaris van de Koning René Paas vorig jaar een vergelijkbare oproep tijdens een werkbezoek van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Paas pleitte toen voor een nieuwe ruimtelijke ordening voor Groningen als middel tegen de hardnekkige armoede en werkloosheid. 

Het rapport van PBL en het signaal René Paas zijn geen nieuwe geluiden. Ze staan in een decennialange traditie van bestuurders, schrijvers en ontwerpers die zich zorgen maken over de balans tussen agrarische economische activiteiten, leefbaarheid, cultuur en natuur. Als gevolg van de Ruilverkavelingswet uit 1954 ontstonden de zorgen in de jaren ‘60 voornamelijk uit de hoek van de natuurbescherming en leidde tot de eerste Nederlandse leerstoel Tuin- en Landschapsarchitectuur in Wageningen, bekleed door J.T.P. Bijhouwer. Zorgen om cultuurhistorie en milieu groeide vooral vanaf jaren zeventig. Via de Club van Rome en hun bekende rapport Grenzen aan de Groei (1972) werd het milieuprobleem gemeengoed. Zorgen om de onthistorisering van het landschap, zoals landschapsfilosoof Ton Lemaire de gevolgen van de ruilverkaveling noemde, werd eerst op kleinere schaal beleefd, in historische vaktijdschriften: “Hoewel verheffing van de boerenstand en verbetering van de bedrijfsvoering tot de uitgangspunten van de ruilverkaveling behoorden, rijst, in retrospectie, de vraag, of de vernietiging van het historisch-gegroeide cultuurlandschap opwoog tegen enkele decennia topopbrengsten.” Pas sinds de jaren negentig is het grote publiek zich bewust van de zogeheten ‘landschapspijn’ dankzij de literatuur. Door de succesvolle stroom aan rurale romans van o.a. Geert Mak, Maarten ‘t Hart, Tommy Wieringa, Gerbrand Bakker en Dörte Hansen staat het dorp op ons collectieve netvlies als onveranderlijke plek in de luwte van de samenleving. Beleidsmatig culmineerde de historische aandacht voor het landschap in de Nota Belvedere (1999), waarin de regering voor het eerst pleitte voor een verbinding tussen de ruimtelijke inrichting en de rol van cultuurhistorie. 

Woestijnen van vruchtbaarheid 

Behalve dezelfde historische achtergrond delen de signalen van het RIVM en René Paas ook iets anders, namelijk een gebrek aan concretisering. Men blijft steken in het constateren van uitdagingen, en de oplossingen die wel genoemd worden zijn niet regiospecifiek. Daarom volgen hier eerst enkele van de belangrijkste ruimtelijke opgaven voor Groningen. 

Met stip bovenaan die lijst uitdagingen staat het klimaat. Groningen moet zich voorbereiden op meer extreme weersomstandigheden (vernatting en verdroging) en zich weren tegen de afnemende kwaliteit van lucht en grondwater. Tegelijk zal Groningen ook haar haar eigen bijdrage aan de uitstoot van PFAS en stikstof moeten beteugelen én het tij moeten keren van een tanende biodiversiteit. Zowel de klimaat mitigerende als de klimaatadaptieve uitdagingen vergen ruimtelijke ingrepen die indruisen tegen de huidige praktijk van de toenemende intensiteit van de landbouw, het verwijderen van kapbossen, de uitbreiding van stedenbouw en industrie en het gebruik van kunstmest en pesticiden. Het is deze praktijk waardoor het grasgroene Groningen op veel plekken in 70 jaar is veranderd in een gemechaniseerd en geïndustrialiseerd voedsellandschap met weinig mededogen voor bodem en dier. Woestijnen van vruchtbaarheid, zo noemde bovengenoemde hoogleraar J.T.P. Bijhouwer dergelijke gebieden al in de jaren ‘40 van de vorige eeuw. 

Vanwege de relatief bescheiden veestapel lijken de gevolgen van de stikstofuitstoot voor Groningen beperkt. Toch bieden voor de hand liggende oplossingen als het verkleinen van de veestapel en de mestproductie wel degelijk kansen voor een duurzamere ruimtelijke inrichting van onze provincie. Ongeveer 25% van de totale oppervlakte van de provincie Groningen wordt immers gebruikt voor groenvoedergewassen. Daarmee is diervoeding in termen van grondgebruik het belangrijkste Groninger exportproduct en voederen we letterlijk de (inter)nationale vleesindustrie. Als er minder vraag komt naar maïs en voederbieten betekent het verkleinen van de veestapel mogelijk een natuurinclusiever grondgebruik. 

Voorwaarde voor een duurzame toekomst: Ruilverkaveling 2.0 

Hoe ziet Groningen er in 2040 uit? Het is een vraag die op veel beleidstafels ligt, vooral als het over het aardbevingsgebied gaat. Bezien vanuit de bovengenoemde transities is een leidende rol noodzakelijk voor de fysieke leefomgeving van mens, plant en dier.

Groningen zal zich moeten bekwamen in de multifunctionele landschapskunde. Want er zijn veel ruimtelijke ingrepen nodig, welke toekomstscenario je ook kiest. Gelukkig kan Groningen buigen op veel voorbeelden uit binnen- en buitenland die de contouren van duurzaam en multifunctioneel landgebruik voor de toekomst laten zien, zij het telkens op kleine schaal. Een korte impressie: voedselbossen voor lokale voedselproductie; tiny forests voor de verhoging van de biodiversiteit; het aanwijzen van nieuwe reservaten als PAS-compensatiegebeiden waardoor elders in het land weer gebouwd kan worden; het uitrollen van Public Right of Way, het ontwikkelen van nieuwe dorpsrandparken; grootschalige strokenbouw (niet vlak en recht maar bochtig en met aparte stroken voor wandelaars!) en ga zo maar door. Het mooie is dat al deze voorbeelden afzonderlijk al zijn ingediend bij het platform Toukomst. Ze dienen alleen door landschapskundigen geïdentificeerd te worden als basispalet voor de Groninger ruilverkaveling 2.0. Met de dorpen als concentrische middelpunten. Groningen kan zich in die zin onderscheiden als plek waar grootschalig geëxperimenteerd wordt met duurzame multifunctionele landschappen die direct bijdragen aan leefbaarheid. Een dergelijke operatie past ook goed in de traditie van het Groninger platteland als maakbaar landschap: de aanleg van dijken en terpen hebben altijd primair aan een veilige leefomgeving bijgedragen. 

Groningen is maakbaar

De transitie naar een duurzaam en klimaatbestendig landschap waarin mensen kunnen leven, werken en recreëren; de bedrijven melk, kaas en bier voor ons produceren; we droge voeten houden ondanks de klimaatverandering en we al fietsend de geluiden van grutto’s, bijen en groene kikkers horen[1]; het vergt van Groningen en haar inwoners een nieuw verhaal vol verbeeldingskracht. Een verhaal waarin we niet de vruchtbaarheid van de klei vooropstellen, maar het welzijn van de Groninger. Een verhaal ten slotte, dat aansluit op onze rijke ruimtelijke historie van wierden en dijken, de openheid, de karakteristieke dorpskernen, de waterlopen, de kerken en de molens: het zijn allemaal beeldbepalende elementen die door mensenhanden zijn gemaakt, en niet van nature zijn ontstaan. Groningen is maakbaar, zo leert het verleden. Laat de toekomst dat ook zijn. 

Dit artikel is samengesteld uit het essay ‘Ruimte voor een nieuwe tijd en een dorpsbouwmeester’. Dit essay is via pdf beschikbaar om integraal te lezen.

Deel 2 en Deel 3 verschenen ook op onze website, alsmede reacties.


[1] Uit: Natuurlijk Kapitaal: fundament voor onze toekomst. Oratie uitgesproken door Prof.dr. Koos Biesmeijerbij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar op het gebied vanNatuurlijk Kapitaalaan de Universiteit Leidenop vrijdag 9 maart 2018