Als klein meisje kan Hennie Berkenpas al eindeloos van het Wad genieten. Ze steekt haar hoofd door het patrijspoortje op het vrachtschip waarop ze opgroeit. Ze wil niets liever dan het schijnsel van de vuurtoren zien. De reflectie volgen. Het ritme van het licht in zich opnemen.

Zij kent als kind al het voorrecht om de zon te zien opkomen boven een vrije zee, zoals ook haar voorouders dat voorrecht kenden.

Als vijfde dochter van ouders die een klein vrachtschip bevaren, is het niet verwonderlijk dat ook Hennie met de liefde van het water ter wereld komt. Sterker nog: ‘waarschijnlijk ben ik op de Waddenzee verwekt.’ Tijdens de vakantie op Terschelling, waar het gezin ieder jaar op het schip de zomer doorbrengt. Hennie lacht er hartelijk om.

Over dat patrijspoortje: op een goeie dag is Hennie te groot geworden. Haar hoofd past er nog wel doorheen, maar ze komt niet meer terug. Ze zit vast. Kop aan waterkant, het lichaam nog in het schip. Moeders moet er aan te pas komen en smeert boter achter haar oren. ‘Dit was de laatste keer’, zegt moeder. Hennie knikt geschrokken.

De zee blijft altijd trekken. Ze vaart als jonge vrouw tien jaar in de chartervaart, waarvan zes jaar als schipper. Tot het gebrek aan privacy en een hernia haar dwingen van boord te stappen. En daarnaast: er is een man. Ook een schipper. ‘En als je iets wil, moet je keuzes maken.’

De relatie strandt tien jaar later. Hennie gebroken achterlatend. Ze verliest haar lief, haar droom en haar toekomst: het schip dat ze samen verbouwden. Ze wilde er mensen ontvangen en rust bieden. Bij haar ouders op het schip kon altijd iedereen aan komen waaien. En die gastvrijheid zit ook Hennie in het bloed.

Door de breuk vindt ze iets terug waarvan ze niet eens wist dat ze het was verloren: haar vrijheid. Ze gaat op een zeeschouw wonen en vaart, ze zoekt naar nieuwe gronden. Een onstuimige tijd: ‘Bij Paesens-Moddergat heb ik tegen de zee staan schreeuwen.’ De zee neemt haar woede en woorden op.

Twee jaar woont ze op haar zeeschouw. En als het moment daar is, fluistert de zee terug. Het is nu goed. ‘Kom maar naar me toe.’ Als ze de roep van het Wad hoort, besluit ze van Groningen naar de Waddenzee te varen. Verder dan Harlingen komt ze niet. Daar meert ze aan. Eerst voor even, maar inmiddels alweer voor vier jaar. Ze heeft haar thuishaven gevonden.

En haar koers. Haar doel: de wereld verder helpen. Ze ziet het positieve. Altijd. Wanneer de troep van de MSC Zoe na ieder tij op de kust aanspoelt, ziet ze niet de rotzooi, maar de enorme stroom mensen die komt helpen het Waddengebied op te ruimen.

Het sterkt haar in haar geloof dat we het anders willen. Beter. Voor mens en natuur. Samen. Het Wad wenkt haar opnieuw. Dit keer om haar te helpen. Om anderen te helpen. Anderen die gastvrije plek te bieden en ze de zee te laten ervaren.

Hennie gaat opnieuw de zee op.

Ze werkt nu hard om haar droom te verwezenlijken: ze gaat zeewier kweken op de zeebodem bij Harlingen, om er samen met anderen producten van te maken. Ze wil wier niet uit het Wad te onttrekken, maar in harmonie met de natuur opbouwen; zoals alles op het Wad samenwerkt. Zoals wij in de wereld met elkaar horen samen te werken.

Alleen zo kunnen we de toekomst tegemoet.

Ze staat binnenkort weer met haar laarzen in het slik. Kop in de wind. En groeiend wier onder haar hoede.

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (www.fondsbjp.nl)

In April blikt Carlien Bootsma terug op haar wandelingen langs het Wad in een essay in het Noorderbreedte tijdschrift.