Foto Willem Friedrich

Oldambt: dwars en weerbarstig

De Oostwolderpolder is 250 jaar geleden op zee veroverd. Nu is het deel van het Dollardland, een streek vol dijken en historie. Een regio ook waar het stevig waait. Bewoner Cees Stolk schetst de historie en naderend onheil aan de horizon.

TEKST
Cees Stolk

BEELD
Willem Friedrich

 

Ten noorden van Finsterwolde, aan de rand van Nederland staat een monument. Als herinnering aan het laatste stukje dijk op deltahoogte. Een hekje met een bank en in het midden woorden in steen:

Gain diek,

Gain laand,

Gain leev’n

Zes woorden maar, voor zes eeuwen strijd. Tegen het water, en vooral tegen zichzelf.
Allereerst dat water. Altijd de Dollard die geeft en neemt. Een wreedaard, een slokop, die kan briesen en bulderen. In 1509 bereikt de Dollard zijn grootste omvang. Dorpen verdrinken, kerken storten in. Het land bezuiden de Eems stroomt vol als een badkuip. Tot Blijham en Zuidbroek reikt het water. Gelijk een binnenzee oogt het landschap.

Dat nooit meer, beseft de mens en begint aan een immens karwei. Hij werpt dijkjes en dijken op en beteugelt zo de zee. Polder na polder stampt hij uit de grond en schept nieuw land, het Oldambt, op de zee veroverd land. Stap voor stap dringt de mens het water terug.

Maar eer het zover is, doen monniken tot eind 16e eeuw een vergeefse poging het water buiten hun kloosters te houden. Met houten sluisjes ontwateren zij primitief het land maar indirect bevorderen zij de bodemdaling. Het veen in het achterland klinkt in, de bodem daalt en dus grijpt de Dollard elke keer zijn kans.

Zoals in 1570 als in de nacht van 1 op 2 november de Dollard genadeloos toeslaat. Bij de ergste Vloed der Vloeden, de Allerheiligenvloed verdrinken 9000 mensen. Tot de poorten van de stad Groningen komt het water. De mens voelt zich nietig en machteloos.

Hij moet zijn land prijsgeven en vlucht met have en goed naar hogere gedeeltes. Hele dorpen worden verplaatst, kerken verzwolgen of afgebroken en elders opgebouwd. Het water ontwricht de boerensamenleving. Hoe dramatisch ook, die stormvloeden geven iets waardevols terug: vruchtbare, vette klei. Voor latere generaties een blessing in disguise, merkt provinciaal archeoloog Hennie Groenendijk treffend op in zijn boekje Gelaagd landschap. Ware de Dollard in al die eeuwen niet doorgebroken, zo stelt hij, het boek van Frank Westerman De Graanrepubliek had nooit geschreven geworden. Het Oldambt zou dan een veenpolder zijn, niet geschikt voor akkerbouw; op drassige weiden zou de boer een karig bestaan leiden en zou van enige vorstelijke trots geen sprake zijn zoals de Franse schrijver Henry Havard ervaart als hij in 1875 het Oldambt bezoekt. Hij kijkt zijn ogen uit. In zijn dagboek rept hij van boeren als ’koningen’, de ’beheerschers van het gewest’. ’’Welvaart,  overvloed en rijkdom schijnen hier vanzelf uit de grond op te wellen.’’

Halverwege de 19e eeuw is het Groninger platteland in trek bij schrijvers en dichters. Het is de idylle van de boerderijen, omsingeld en omgracht die reizigers versteld doen staan. Tuinarchitecten uit Engeland leven zich buiten uit in slingertuinen en stukadoors uit Toscane mogen binnen naar hartenlust hun gang gaan en de plafonds van de salons versieren.

De nieuwbakken dominee Van Berkum die hier in 1856 neerstrijkt, weet niet wat hij ziet: ’’…er is misschien geene streek in ons vaderland aan te wijzen, waar men zoo vele, zoo grote en zoo prachtige boerenwoningen vindt.’’ Zijn collega dominee Jacobus Craandijk gaat in zijn wandelboek ’Wandelingen in Nederland’ (1875-1888) nog een stap verder en noemt de boerderijen ’landbouwerspaleizen’.
De aanleg van de op de zee veroverde polders verloopt allereerst zonder slag of stoot zoals bij de Oostwolderpolder (1189 hectare ofwel ruim 2000 voetbalvelden). Het nieuwe land kent vele eigenaren. Heren uit de stad Groningen bezitten een deel van het voormalig kloostergoed, evenals de provincie Groningen en de kerk in Oostwold. Zij allen hebben bij de aanbesteding van het werk iets in de melk te brokken.

En dus ontstaat in 1769 gekibbel bij de aanleg van de 5,4 kilometer lange zeedijk. In de ogen van de dijkarbeiders is het werk te goedkoop aanbesteed. Zij eisen een hoger loon zoals zij dat ook kregen bij de Stadspolder (1740). Met stokken gaan zij de aannemer te lijf die schielijk het hazenpad kiest.

De grondeigenaren houden voet bij stuk en roepen de hulp van prins Willem V in. Die stemt in met het sturen van militairen ter bescherming van het werk. Een detachement van zestig soldaten moet de 1300 dijkarbeiders, onder wie veel Oldenburgers, onder de duim houden. Regelmatig is er ’rebulie’ in de polder. De ene keer onteren mannen een vrouw; een andere maal verwonden zij de sterke arm als die smokkelaars arresteert. De straffen zijn niet mals. Oproerkraaiers gaan linea recta weken het cachot in of worden levenslang verbannen. Uiteindelijk komt de polder na maanden vertraging aan het eind van het jaar 1769 gereed. Vijftig jaar later (1819) is de Finsterwolderpolder klaar en als in de zomer van 1823 de schrijver Jacob van Lennep en zijn kompaan Dirk van Hogendorp een voettocht door ongerept en ongeschonden Nederland maken, moet de Reiderwolderpolder (1862) nog ’veroverd’ worden. Ook Van Lennep is onder de indruk van de weidsheid en roemt de ’Pruisische polders zover het oog reikte’. ’’We waren opgetogen door het zien van meer dan honderd boerenwoningen, elk drie verdiepingen hoog, die voorzien waren van onmeetbaar grote schuren.’’

Als het tweetal na overnacht te hebben in Nieuweschans om half vijf des morgens zich opmaakt voor de tocht naar Winschoten pauzeert het halverwege in een herberg. Van Lennep tuimelt bijna van zijn stoel als de dochter van de herbergier verschijnt: ’’Een der mooiste vrouwen die ik ooit heb gezien. Haar aanblik was die van Juno, haar armen, handen en voetjes die van Venus, haar boezem die van Diana, haar bewegingen die van Gratiën.’’

Van Lennep is niet de enige die verrukt raakt van het landschap en zijn bewoners. In de jaren tachtig van de 19e eeuw beleeft de Groninger boer champagnejaren. Zijn rijkdom is preekwoordelijk. Hij noemt zich herenboer en kijkt vanachter het glas neer op zijn zwoegende arbeiders. Zo groeit over en weer de grimmigheid, de botheid ook, de weerbarstigheid, over en weer. De boer gedraagt zich als heerser en de arbeider voelt zich zijn slaaf. Dat moet een keer fout gaan en dat gaat het ook. Met keiharde koppen komen de partijen tegenover elkaar te staan en in mei 1929 botsen die koppen. Hard tegen hard laait de klassenstrijd op. Het komt tot een van de langdurigste stakingen in de vakbondsgeschiedenis.

Vijf maanden weigeren vijfduizend arbeiders naar het land te gaan. Zij eisen van hun werkgevers, de boeren, drie cent per uur erbij en krijgen pas het jaar daarop tien procent meer loon. De staking eist zijn tol: een dode zelfs in Finsterwolde bij een treffen met de marechaussee en een niet te helen litteken. De haat is gezaaid als een graankorrel en kiemt naar hartenlust. Iedereen, van boer tot arbeider, likt nog lang de wonden en het zal zeker een halve eeuw duren voordat de betrekkingen normaliseren. Het ’grimmigste’ stukje Nederland noemt Frank Westerman het Oldambt.

Dat was eens, de strijdbijl wordt begraven. De scherpe kantjes zijn er nu af. Boer en arbeider tekenen voor the time being de vrede. Ze gaan ieder wel hun eigen gang en zien toe hoe het Oldambt verschiet van kleur. Het geel van het graan verbleekt wat. Het groen van het gras bloeit op. Koeien in de wei maken rare bokkensprongen en kondigen de lente aan. Voedersilo’s priemen als ruimteveren omhoog. Badkuipen vol mest markeren de lange polderweg. Boerderijen heten niet meer heerd maar hoeve en soms hoor je te midden van geknor een zachte g. Het Oldambt verandert van aanzien.

Wat blijft is de strijd. Nu tegen een ongrijpbare macht, de dreigende invasie van windmolens en zonneparken. Voor hoelang is de horizon nog de horizon, een lijn tussen land en lucht, soms onderbroken door een torenspits.

De weidsheid in dit door de Unesco aangemerkt Werelderfgoed gebied ligt onder vuur. Tekent straks een woud van windmolens de skyline? Verliest het Oldambt zijn identiteit? Wordt het Oldambt één industriële ruimte?

Wie het landschap berooft van zijn identiteit haalt de ziel eruit. Voor de plattelander, de dorpeling, is het landschap zijn tweede huis, zijn geluk op aarde. Mensen wonen graag op een plek waaraan ze zich kunnen hechten. Het platteland is zo’n plek. Hier en daar is de stilte nog de baas. Zulke plekken zijn schaars en dus een gemakkelijke prooi om in te vullen en te verpesten en dat is ten zuiden van Delfzijl al deels gebeurd.

Boer en burger komen weer tegenover elkaar te staan. Met dank aan GroenLinks gedeputeerde Nienke Homan die de deur wagenwijd openzet voor het grootkapitaal. Landeigenaren en projectontwikkelaars wrijven zich in de handen. Zij verdienen grof geld terwijl de dorpen spiegeltjes en kraaltjes krijgen toegeworpen.

Een eenmaal verprutst landschap kun je niet meer herstellen of namaken. Voor altijd is dat landschap getekend.

Eenmaal verbitterde burgers zijn voor altijd gekrenkt in hun waardigheid. Wat rest is een machteloze woede die hen soms tot het uiterste drijft.

 

Download hier de app van Stichting Landschap Oldambt om het dijkenlandschap van de Dollard te leren kennen.
Bronnen:

De Graanrepubliek Frank Westerman

Gelaagd landschap, Hennie Groenendijk

De zomer van 1823, Jacob van Lennep

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
€42,50