‘Wij waren koploper, maar hebben het laten versloffen’, zegt landschap onderzoeker Bas Pedroli. Aan Wageningen Universiteit analyseert hij wat overheden over een lange periode presteren. Rond de eeuwwisseling was Nederland nog Europees voorbeeld voor geïntegreerd landschapsbeleid. Nu is ‘in een prachtig land het landschap de dupe van onvoldoende beleid en visie’.

Sinds de Tweede Wereldoorlog is een vijfde van ons cultuurlandschap verloren gegaan. Grootschalige ruilverkavelingen, stadsuitbreidingen, de aanleg van industrieterreinen en wegen zijn hier debet aan. De verrommeling, het verdwijnen van biodiversiteit en de oprukkende woonwijken hebben een grote impact. Op dezelfde voet doorgaan betekent dat over een eeuw meer dan de helft van het cultuurlandschap is verdwenen.

Landschap is meer dan natuur. Provincies benoemen in omgevingsvisies de meest waardevolle kenmerken van het cultuurlandschap, om zo een vuist te kunnen maken tegen bedreigende ruimtelijke ontwikkelingen. ‘Maar provincies hebben moeite om goed beleid te maken’, merkt Pedroli op. ‘In de praktijk staat het landschap aan het eind van de rekening. Dan blijkt het in het geheel een zwak belang te zijn.’ Bovendien ontbreekt het aan voldoende regels en sancties. ‘Er zijn te weinig instrumenten om het adequaat te beheren.’

In 2008 leek een breed front te bestaan voor behoud en versterking van het cultuurlandschap. De vijftig ondertekenaars van het Akkoord van Apeldoorn – van ministers tot landschapsorganisaties, van provincies tot ANWB – riepen een halt toe aan het verval van het landschap. Dit landschapsmanifest was een noodkreet om ‘mooi Nederland’ te behouden. Landschapsarchitect Jandirk Hoekstra was destijds mede-initiatiefnemer voor de Triënnale in Apeldoorn, waarvan de ondertekening van het Landschapsmanifest het slotakkoord vormde. Ondanks mooie beloftes is het stil gebleven, constateert hij nu. Hoekstra beklemtoont de noodzaak van een actief provinciaal beleid om het cultuurlandschap te beschermen, maar vooral ook om nieuwe ontwikkelingen op een verantwoorde wijze in te passen. Er is huiver bij de provincies om de regie te nemen, concludeert hij, terwijl die juist lef moeten tonen.

Vooruitkijken moet. ‘Stel de vraag: hoe vind je dat het landschap er in 2040 moet uitzien? Vrijwel iedereen antwoordt dan: niet te grootschalig, gezellig, met natuur in de buurt.’ De landschapsecoloog vindt dat aan politici is om op grond van dat antwoord een visie te ontwikkelen en kaders te stellen voor de toekomst.

Er is bij politici grote terughoudendheid om zich te binden aan grote ruimtelijke visies voor de toekomst, bang als ze zijn om verstrikt te raken in hun eigen regels, merkt ook Hoekstra. ‘Je moet grote keuzes durven maken.’ Hij wijst op Places of Hope in Leeuwarden, een uitnodiging aan partijen om op de lange termijn tot nieuwe perspectieven te komen voor het agrarisch landschap. ‘Dit is anders denken. Tot op heden zijn politici als de dood om boeren een strobreed in de weg te leggen.’

‘Provincies hebben problemen met hun rol’, stelt Pedroli vast. ‘Als puntje bij paaltje komt, is het allemaal boterzacht. Het landschap is uiteindelijk het kind van de rekening.’