Het schuldige landschap

Essay van Floris van den Berg (1973), filosoof die zoekt naar ‘blinde vlekken in de moraal’.

TEKST
Floris vandenBerg

Reageren op dit essay? Volg deze link!

Bij station Beilen beginnen we onze eerste etappe van het 324 kilometer lange Drenthe-pad. Na het Veluwe-pad voltooid te hebben, kiezen we nu voor Drenthe. Op een koude dag met striemende regen tussen Kerst en Oud en Nieuw, is het landschap rondom Beilen niet bijster verheffend voor de geest.

Het eerste wat we zien is de monstrueuze melkpoederfabriek van Friesland Campina. Het bedrijf schroeft de productie, zo lees ik later thuis, de komende jaren flink op voor de export van melkpoeder – waarom krijgen baby’s koemelk en geen moedermelk meer? Überhaupt is koemelk drinken totaal overbodig voor een gezond dieet. De uitbreiding van de productie is goed voor de werkgelegenheid, lees ik. Hoe is het voor de baby’s en hun moeder die vlak na de geboorte van elkaar worden gescheiden? Hoe is het voor de moeders met de megagrote uiers, die als dank voor de melkproductie vroegtijdig worden geslacht? Daarover staat niets.

De A28 raast langs het dorp en het geluid van de rusteloze reizigers stelt onze gemoedsrust op de proef. We lopen door een woonwijk die overal in Nederland had kunnen liggen, netjes maar zonder gezicht. De infrastructuur is efficiënt, veilig, degelijk en saai. Wandelaars zijn de anarchisten van de planologie. De lange-afstandwandelpaden lopen dwars door het landschap heen naar de mooie plekken in het groen, dus naar waar zo min mogelijk planning is. Maar in Nederland is elke vierkante centimeter gemanaged. Natuur is de restruimte van bebouwing en landbouw. Die restruimte wordt in Nederland door tal van beheerders met verschillende visies beheerd. Natuur in Nederland is postzegelstukjes in het landschap. Landschap is dat wat er tussen dorpen en steden zit. Dominant in dat landschap is het biljart groene Engelse raaigras. Het coulisselandschap is een groene woestijn.

Alleen een enkele VVD’er herkent dit niet als woestijn en noemt dit natuur. Met uitzondering van GroenLinks en de Partij voor de Dieren is de politiek niet in natuur als zodanig geïnteresseerd, het gaat om economisch nut. Zo is de VVD er voor de korte termijn economische groei, het CDA is er voor de boeren. Het landschap heeft de afgelopen eeuw een metamorfose ondergaan onder invloed van de technologie en het economische efficiëntie-denken. Met machines en met ruilverkaveling is het landschap gladgestreken voor een desolate monocultuur. De esthetische dimensie van het landschap is geofferd op het offerblok van de economische groei.

De kaart van het landschap toont overal de vlijtige arbeid van de liniaal van agrotechnocraten: rechte kavels, rechte sloten, rechte wegen. De lange-afstandswandelpaden doen een poging om te meanderen tussen het tekentafellandschap door en te speuren naar resten van natuur. Dit is wat beschaving en ‘in cultuur brengen’ wordt genoemd: de natuur onderwerpen aan de wil van mensen hier en nu. De mens als despoot over de natuur. Op de beesten die nog vrij rondlopen of vliegen wordt gejaagd. In stallen leven honderdduizenden dieren tot de moord ze uit hun lijden verlost. Het culturele erfgoed van boerderijen is grotendeels weg geïnnoveerd en valt nu te zien in het Openluchtmuseum te Arnhem. Auto’s razen over de wegen en maken slachtoffers onder de dieren.

Wat niet mag is je buiten de gebaande paden begeven, na zonsondergang in ‘het bos’ zijn of wild kamperen. De gebodsbepalingen drukken zwaarder op mij dan de rugzak, maar wij volharden in burgerlijke ongehoorzaamheid en ook na zonsondergang zwoegen wij door het donker met een hoofdlamp over de zompige paden. We genieten van de duisternis.

Duisternis en stilte zijn ondergewaardeerde waarden. We zien de sterrenhemel en luisteren juist door de stilte – want stilte betekent afwezigheid van menselijke herrie – naar de geluiden van de natuur: het ruisen van de wind in de bomen, de uil en boven alles het geluid van de ontelbare gakkende ganzen in de vennen. In het donker gaan we van het pad af het bos in en zoeken een vlak stuk voor de tent. Ik kruip mijn natte slaapzak in.

Het vriest en ik word ’s nachts vaak wakker. Ik hoor een hond hels aanslaan. Een mensenhond. Ik zie in mijn slaap de hond al voor de tent staan. Ik hoor de mortiergranaten op het militair oefenterrein, een oefening voor de volgende oorlog. Het luchtmatras van mijn zoon is lek en hij wordt ’s ochtends steenkoud wakker. Nog in het donker breken we de tent af.  We houden ons, in tegenstelling tot de boeren en bouwers, aan het kampeeradagium Leave no trace behind.

Worstelend door het dichte bos stuiten we op een mountainbike-pad – een nieuwe vorm van menselijke, mannelijke – behoefte waar de natuur zich maar naar heeft te voegen. We komen in het doodstille museumdorp Orvelte waar een hardloopster in roze outfit de enige persoon is die we zien. Het openluchtmuseum zet een geromantiseerd boerenverleden neer. Bij de hooiberg annex kapelkoepel verwarmen wij met koude vingers onze pap. Een jonge poes komt ons gezelschap houden. We wandelen dwalend verder. Koud en stijf geworden passen we onze grootse plannen om ver te lopen aan en na een kilometer of zes komen we in het dorp Westerbork en stappen we op een bus. Terug naar waar het comfortabel warm is.

Reflecteren over landschap zonder het grote gevaar te benoemen, is als een woonwijk in Pompeï plannen onder de rokende vulkaan. We staan aan de vooravond van desastreuze klimaatveranderingen en daarmee een ecologische crisis die het uiterlijk van de wereld zal veranderen. Toch beseffen we doorgaans niet hoe groot de gevaren van de door mensen veroorzaakte gevolgen zijn in het mondiale ecosysteem van het holoceen waarin de balans verstoord is. Als voorbeeld van hoe weinig ons de ecologische crisis interesseert, kun je zelf de proef op de som nemen: ga naar een grote boekhandel en kijk naar hoeveel boeken er staan over de ecologische crisis, of, een deel daarvan, antropogene klimaatverandering. Bij Scheltema in Amsterdam en Donner in Rotterdam is er bij de afdeling Natuurwetenschappen een plankje met ‘klimaat’ en een deel van deel van die boeken gaat over de klimaatcrisis. Her en der verspreid door de boekhandel zijn er wat zogenaamde groene boeken, maar op het geheel van het aanbod zijn die het verwaarloosbaar. De ernst van de situatie wil maar niet tot ons doordringen. Of drukken wij die weg omdat hij te groot is? Of omdat we de gevolgen hier en nu niet voelen? Of omdat we onze gekoesterde levensstijlen, die het probleem vormen, niet willen opgeven? We weten niet precies hoe de klimaatveranderingen eruit zullen zien, maar er zijn wel redelijke aanwijzingen, zoals een drastische zeespiegelstijging, een ander klimaat met meer extreme weersomstandigheden.

De vraag van wie is het landschap is irrelevant wanneer dat landschap binnen afzienbare tijd drastisch zal veranderen en het de vraag is of dat landschap er nog zal zijn of, nog dramatischer, of er nog mensen zijn van wie het landschap zou kunnen zijn. Het heeft pas zin om op microschaal te reflecteren als de problemen op macroschaal zijn opgelost. Zo is het geen handige prioritering om een manicure behandeling te geven aan iemand met een slagaderlijke bloeding. Microscopisch filosoferen over het landschap is als een manicure aan een patiënt die doodbloedt.

Reflecterend over een landschap kun je je afvragen: is dit een landschap dat bijdraagt aan de ecologische crisis, of is dit een landschap dat duurzaam is? Nederland als geheel is een land dat een onevenredig groot aandeel in de mondiale ecologische crisis heeft doordat de ecologische voetafdruk van Nederland 3,6 aardes is. Dat wil zeggen dat als alle mensen op aarde zouden leven als de gemiddelde Nederlander, dat er dan 3,6 planeet aardes nodig zijn. Nederland heeft nog steeds een VOC-mentaliteit, dat wil zeggen dat onze levensstijl en economie gebaseerd zijn op plundering en uitbuiting. Friesland Campina, NAM en Shell zijn de opvolgers van de VOC. Er is geen duurzaamheid in Nederland. Mensen die menen van wel hebben zich in de luren laten leggen of liegen. Hooguit kun je cynisch opmerken dat het zonder de zogenaamde duurzaamheidsmaatregelen nog slechter zou zijn geweest.

Duurzaamheid betekent dat onze collectieve ecologische voetafdruk niet groter is dan 1 planeet aarde. Wij roven van toekomstige generaties, inclusief onze eigen kinderen. Huidige generaties Nederlanders hebben de lusten, terwijl zij de lasten overhevelen naar toekomstige generaties. Alle toekomstige generaties zullen lijden onder de door mensen veroorzaakte klimaatverandering en moeten leven in het antropoceen waarin de condities voor menselijk leven (en een groot deel van de dieren) slecht zijn.

Het landschap dat we in Nederland zien maakt deel uit van een mondiaal industrieel economisch complex dat extreem onduurzaam is. De graslanden hier zijn bestemd voor koeien, maar een groot deel van het voedsel voor deze dieren komt uit Zuid-Amerika, van landbouwgronden die voorheen oerwoud waren. Het landschap in Nederland is deel van een ecologisch destructief netwerk. Niet alleen heeft de moderne industriële chemische landbouw de biodiversiteit dramatisch doen afnemenis, zoals blijkt uit de forse afname van weidevogels. Ook heeft de ontbossing voor de intensieve veeteelt hier de biodiversiteit aan de andere kant van de wereld aangetast. De veeteelt heeft een groot aandeel in de uitstoot van broeikasgassen, zelfs meer dan het aandeel van transport. Nederland gaat de zelf voorgestelde klimaatdoelen van de Parijs-akkoorden niet halen. Een manier om wel die doelen te halen is om over te stappen op een plantaardige samenleving. Het landschap is in vijftig jaar getransformeerd naar onduurzaamheid, het moet mogelijk zijn om nog een grote transformatie te instigeren, de omslag naar een duurzaam landschap. Een landschap zonder slachtoffers.

De tocht door het Drentse land leidde dwars door voormalig kamp Westerbork. Op indringende wijze wordt hier de holocaust herdacht. Westerbork was het begin van het einde voor al degenen die door de Nazi’s vanuit Nederland naar vernietigingskampen werden gezonden. Met lood in de schoenen liepen we er doorheen. Dramatisch zijn de rechtop geplaatste bielzen langs de weg met daarop het aantal vermoorde mensen per dag in Auschwitz. Niet te bevatten. We wandelden verder door het landschap.

Overal in het landschap zie ik grote barakken. Barakken zonder ramen. Weg van de weg. Je zou er zo aan voorbij lopen. In die barakken duizenden en duizenden kippen, varkens en koeien. Met de zekerheid dat elk van die dieren vermoord zal worden. In bijna elk restaurant worden delen van de karkassen van de slachtoffers opgediend. We herdenken de holocaust en roepen ‘dat nooit weer!’ en tegelijkertijd is er overal om ons heen een dierenholocaust gaande. Inderdaad, er zijn verschillen tussen dieren – mensen zijn geen koeien, koeien zijn geen kippen, kippen zijn geen varkens, varkens zijn geen geiten, geiten zijn geen schapen. Maar wat al die dieren gemeen hebben, is het vermogen om pijn te kunnen lijden en een wil om te leven. Het zijn de daders die voor de slachtoffers beslissen wat er met hen gaat gebeuren, hoeveel en hoelang zij nog moeten lijden en hoe en waar zij worden vermoord. Je kunt op twee manieren participeren aan het landschap: ofwel je bent medeplichtig aan de ecologische crisis, ofwel je kiest ervoor om niet bij de daders te horen en kiest voor een plantaardige levensstijl. Wie ervoor kiest om dierlijke producten te consumeren, is medeschuldig aan zowel de destructie van de ecologische diversiteit van het landschap als aan de dierenholocaust.

Een esthetisch normatief concept om naar het landschap te kijken, is landschapspijn. Het is de pijn die mensen ervaren bij de verarming van het landschap, zowel cultureel als ecologisch. Het landschap is de afgelopen decennia gladgetrokken en verschraald. De weidevogels zijn verdwenen, evenals de bloemen. Er zijn geen bloemen meer te bekennen in het landschap en niet alleen omdat het winter is. Er is een afname van insecten en de hoeveelheid bijen neemt razendsnel af. Het enige wat is toegenomen de afgelopen decennia is de hoeveelheid verkeers- en informatieborden. Je kunt geen stap zetten zonder een bord met informatie en vooral instructie- en verbodsborden tegen te komen. Het landschap wordt bestuurd door de politiek met een heel smalle mensgerichte visie.

De vraag van wie het landschap is, duidt op een despotische houding jegens de natuur. ‘Bezit’ is een concept van een boerensamenleving, jagers- verzamelaars kennen hooguit de term ‘territorium’, maar niet het concept bezit. Diep in de moderne cultuur zit ‘bezit’ – Rousseau beschreef de oorsprong van bezit als dat iemand voor het eerst een stuk land afzette en zei: ‘Dit is van mij’. Bezit is een menselijk construct. Soms is het een handig concept, zoals met een fiets. Maar het bezitten van land en dan menen dat het van jou is en dat jij er dan mee mag doen wat jij wilt, is een doorgeslagen gebruik van het concept. Neem het concept ‘Nederland’: van wie is Nederland? Van de Nederlanders. Maar van welke Nederlanders? Van de Nederlanders anno nu. Betekent dit dat wij nu alles met dit grondgebied (en de bodem, de lucht en de zee eromheen) mogen doen, ook als dat betekent dat toekomstige generaties er dan geen gebruik ervan kunnen maken? Dat is wel wat wij momenteel doen. De Noordzee is grotendeels leeggevist en daarom vist de Nederlandse vissersvloot de oceanen aan de andere kant van de wereld leeg. Bezit is een juridische constructie die ruim baan geeft aan ecologische destructie en uitbuiting.

Is er hoop? Nee. De ecologische crisis is onafwendbaar. Het is naïef om te menen dat het wel goed komt of dat het allemaal wel zal meevallen. Desalniettemin heeft ieder individu morele verantwoordelijkheid. Iedereen kan zelf beslissen om deel te zijn van het probleem, of deel te zijn van de oplossing. Een moreel landschap begint bij een plantaardige levensstijl. Veganisme is een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor een duurzaam en ethisch landschap.

Een hoopvol idee is het permacultuurconcept, dat wonen, energievoorziening en voedselproductie in een energieneutraal geheel samenvoegt. Thans is er een rigoureuze scheiding tussen wonen, werken (bedrijfsterreinen), landbouw en recreatie (bos). Permacultuur tracht de omgeving zo in te richten dat er een energie-neutrale balans is. Het gaat om een kleinschalig, divers landschap (zonder veeteelt) waarbij mensen de grond niet omploegen en geen gebruik maken van kunstmest, irrigatie en bestrijdingsmiddelen. Permacultuur vergt kennis van ecosystemen en planning. De huizen die hierbij horen zijn Earthships, vervaardigd van duurzame of gerecyclede materialen en die zo ontworpen zijn dat er geen externe verwarming en energietoevoer nodig is. Thans staat permacultuur nog in de kinderschoenen, maar het is denkbaar dat we dit uitrollen over het landschap.

De levensstijl die bij permacultuur hoort, is een andere levensstijl en een andere houding jegens natuur dan de van de natuur vervreemdde consumentistische levensstijl en de despotische houding. De kans dat we daarnaar op korte termijn op grote schaal omschakelen is miniem. En dat is waarom we leven en blijven leven in een schuldig landschap, zonder hoop. Maar het is wel een landschap waar je niet buiten de paden mag wandelen.

Floris van den Berg  is filosoof, veganist (‘Wij kunnen zonder dierlijke producten’), atheïst (‘Durf zelf te denken’) en liberaal. Vorig jaar deed hij mee aan het EO reality-tv-programma Rot op met je religie!

Dit essay staat in NB#1 2018