Ik ben een gewortelde nomade. Ik bouwde mijn eigen wooncocon (6m2) en streek neer op de bodem van de Middelsee in Friesland. Ik houd mijn materiële bezit licht, want als de aarde mij gastvrijheid biedt, wil ik daar respectvol mee omgaan. Eenvoud geeft me ruimte, letterlijk en figuurlijk. Ik werk graag urenlang buiten en schrijf staande. Ik slaap in een hangmat, die ik dagelijks wegwerk in het dak. Mijn voetspoor is anders dan dat van de gemiddelde mens. Het mijne uit zich in diversiteit. Ik spreid een weefwerk uit van bomen, bloemen en verhalen. Ik blijf trouw aan de plek waar ik ben, tot het genoeg is. Dan wordt mijn wooncocon een wandelhuis en trek ik verder naar een andere bodem met andere mensen, om te wortelen. Het land vraagt, ik schep.

Op mijn blog zijn verhalen te horen, tekeningen te zien, en er is een film van de bouw, dat in totaal drie jaar in beslag nam.

Als een oude vlier was hij, een man uit een heel andere tijd, die voor ons lag. Door hem zag ik een glimp ervan. Fossielen zijn ze, mensen vergroeid met hun bodem. Vitaal zijn ze, door hun enorme voeten in aarde.

Er zijn plekken waar de tijd stilstaat. De Swetteblom is zo’n plek. Zo heet de boerderij waar ik sta, met mijn Verhalenhuis. Om er te komen moet je een lang pad af van wel twee kilometer. Daar loop ik nu. Het heeft veel geregend en in de kuilen staan plassen. De klei in de weide is zompig. Dat is fijn voor de vogels, die kunnen er nu goed hun voedsel vinden. Ik zie meeuwen. Ik hoor de heldere kreten van twee scholeksters en de roep van een eenzame kieviet.

Dit gebied is ooit zeebodem geweest. Al eeuwenlang doet men zijn best het water kwijt te raken. Ook langs weerszijden van dit pad is water. Er groeit jong riet langs en biezen. De oevers zijn stijl, om zoveel mogelijk land te benutten. Ze worden al decennialang kortgemaaid, anders groeien de sloten dicht en dat is slecht voor de afwatering. En nu is het avond. Ik loop rechts langs het grindpad, mijn blauwe klompen nog net in het platgereden gras. Ik kijk naar de kerktoren van Jellum, die scherp afsteekt tegen de lichte lucht van de ondergaande zon. Maar één kleine boom breekt de lijn van de horizon. Ik kijk ernaar en kom dichterbij. Als ik er ben, stop ik verwonderd. Het is de oude vlier. Ik vraag me af wat zijn verhaal is. Grijs is hij en rafelig. En toch laten de maaiers hem steeds staan. De gepensioneerde boer zegt dat hij er al stond toen hij klein was. Ondanks die ouderdom zie ik allemaal frisgroene lenteblaadjes. Hoe wonderlijk toch. Het doet me denken aan een ontmoeting, lang geleden.

Ik ben tien jaar, wanneer mijn vriendin me meeneemt naar haar overgrootvader. Die is oer-oud, wel negentig, zegt ze. Hij woont al zijn hele leven in hetzelfde huis. Er is geen kraan, maar een pomp in de keuken. En geen toilet maar een poepdoos. Samen met haar oudere broer gaan we er naartoe. Ik heb een bonte zakdoek om mijn hoofd gebonden. Mijn vlechtjes bengelen er nieuwsgierig onder uit. Dat vind ik wel passen, voor een bezoek aan zo’n oude man. We rijden een uur. Dan zijn we er. Een lange grijze vent doet open. Niet beverig of krom zoals ik gedacht had, maar rechtop en met een sprankeling in de ogen. Ik staar hem ongelovig aan en kwiek loopt hij voor ons uit. Hij laat ons zien hoe de pomp werkt, in de keuken. En de plee. Hij poept op een poepdoos maar plassen doet hij ergens anders. Achter het huis is een moestuin. Daar gaat de poep naartoe. Het boeit me mateloos. Nooit meer heb ik zo’n mens ontmoet als hij. Hij was een man uit een heel andere tijd, die voor ons lag. Door hem zag ik een glimp ervan. Zijn huis was ouder dan hijzelf en alles was zoals het in 1895 ook al was. In dat jaar was hij tien, net als ik toen. Fossielen zijn ze, mensen vergroeid met hun bodem. Vitaal zijn ze, door hun enorme voeten in aarde. Ze zijn als de oude vlierboom, die halverwege het pad staat. Dingen die blijven en daar oud mogen worden.

Dingen die blijven.

‘Blijf.’

Dat zegt een stem in mij, steeds weer.

Ik ben een geboren ontdekkingsreiziger. Mijn vlechtjes wiebelden levendig heen en weer. Ik speelde zwerfhondje. Ik wilde zwarte piet worden, omdat ik dan mee kon met Sinterklaas en Spanje kon zien. Later wilde ik bergbeklimmer worden en archeoloog. Ik struinde dwars door het bos, dat voor mij de jungle was. Ik poerde in bodems van sloten, bouwde hutten en zwom in het kanaal. Ik fantaseerde over een leven als nomade. Maar toen was er die man. Hij maakte diepe indruk op mij. De man die altijd gebleven was waar hij was. Die zo oud was, dat ik me het nauwelijks kon voorstellen.

Nu sta ik hier, in Friesland. Het pad loopt voor me uit, naar mijn eigengebouwde huisje op wielen. Met mij mee reist de mythe, dat ik er stad en land mee heb afgereisd. Een verhaal dat kennelijk bij me hoort. Maar in werkelijkheid sta ik stil. Ik beweeg in stilte. Na een reis van drie maanden keerde ik terug naar de plek waar ik begon, in 2018. Terug rolden mijn wielen, over dit lange pad, de Jochumsreed. Het grind knerst onder mijn blauwe klompen. Langzaam wordt het donker. Wolken verdwijnen en een sterrenlucht komt tevoorschijn. In de verte zie ik vaag het licht van de vuurtoren, twintig kilometer verderop. Daar begint de zee. Het einde van de wereld en alles wat daarachter is. Ik laat de oude vlier achter me en loop terug naar huis. Het grind knerst. Traag zet ik mijn ene voet voor de andere. Mijn wortels gaan dieper en dieper.

Hoe langzamer ik ga, hoe meer het groeit.

Hier lees je meer blogs van Alowieke.