‘Dadererfgoed’. Het is een term waarin van alles doorklinkt: veroordeling en getuigenis, behoud en weerzin. Die spanning maakt dat er geen sprake kan zijn van ondubbelzinnig herdenken. En dat de tijd er rijp voor moet zijn.

Het had weinig gescheeld of ze hadden de bulldozer ertegenaan gezet, in Westerbork. Wie gaf er wat om dat huis waar kampcommandant Albert Gemmeker had gewoond? Onder zijn toeziend oog waren wekelijks de deportatietreinen naar Polen vertrokken. Voor dadererfgoed was voorheen weinig belangstelling, vertelde oud-directeur Dirk Mulder vorig jaar bij NPO Radio 1.
Toch veranderde in de loop van de decennia die kijk op de geschiedenis. De vervallen commandantswoning moest bewaard blijven en kreeg in 2015 een glazen overkapping, die verdere teloorgang tenminste zal vertragen.

Museumstuk

In de zomer van 2018 zag ik de overkapping voor het eerst. Behalve beschermen tegen de elementen bleek deze nog iets anders te kunnen: vervreemden. Van een oude woning waar de groene verf vanaf bladderde was het plots een museumstuk geworden. Een object, om omheen te lopen, te bekijken, te bevragen allicht. Of zoals redacteur en onderzoeker John Bezold constateert in een Engelstalig artikel in architectuurmagazine Mark: dit paviljoen voegt nieuwe betekenis toe door de vraag wat cultureel erfgoed vormt – het huis, het paviljoen of de herinneringen? Onttrokken aan het dagelijks gebruik, zo vervolgt Bezold, resteert een synthese van huis en paviljoen.
Meer nog dan die synthese zag ik daar, in 2018, een ontmaskering. Het huis stond niet meer naast ons, maar tegenover ons, op een lichte verhoging. Als een ontzagwekkend bouwsel, benut door een nietsontziend regime. Zichtbaarder dan ooit, maar ook onschadelijk gemaakt.

Aan het perron

Een jaar later stond ik voor een soortgelijk huis. Ook groen geschilderd, wat kort daarvoor nog gedaan moest zijn. De woning bood een frisse, onderhouden aanblik. Als je niet wist waar je naar keek, zou je er niets bijzonders aan zien. Alleen was de historie van het huis bepaald duister. Hier woonde in 1942 en 1943 de kampcommandant van Sobibor.
Op een zomerochtend was ik er vanuit het vakantiehuisje in Oost-Polen naartoe gereden. Het voormalige kampterrein werd heringericht en was nog niet toegankelijk voor bezoekers. Ondanks mailcontact van tevoren met een medewerker, die een mogelijkheid leek te openen, trof ik niemand bij het hek. Rond het museum in aanbouw waren werklieden bezig, te ver weg om hun aandacht te trekken.
Dan maar een wandeling zonder gids, langs het terrein. Over het perron, de Rampe, waar de treinen destijds aankwamen. Langs het spoor. Langs woonhuizen, met een tuinhek en vitrages achter de ramen, pal naast de omheining waarachter gebouwd werd.
Zoals het toeval soms wil dat een woning zich tegenover een fabriek of een begraafplaats bevindt, zo kan een mens kennelijk ook naast een voormalig vernietigingskamp wonen. Sterker nog, in een huis dat deel heeft uitgemaakt van datzelfde kamp: het Schwalbennest, zoals de nazi’s het noemden. Hier namen destijds Franz Stangl en Franz Reichleitner hun intrek, die tweede nadat Stangl naar Treblinka was overgeplaatst. Reichleitner overleefde de oorlog niet, Stangl overleed in 1971 in een Duitse gevangenis, een halfjaar na zijn veroordeling.

Daar woont nog iemand

Je moet het maar weten, als je langs dat tuinhek wandelt, naast het huidige museumterrein en tussen naoorlogse woningen in gelegen. Het huis doet hard z’n best om mee te komen in de eenentwintigste eeuw, met zijn opgeverfde gevel en nette dak. Op de Rampe kun je het huis recht aankijken, net zoals de groene woning in Westerbork. En daar in Sobibor werd ik teruggevoerd naar de jaren tachtig en negentig, toen de commandantswoning in Westerbork nog bewoond werd; door mevrouw Van der Speck Obreen, zoals ik vele jaren later pas las. Ik moest terugdenken aan herfstwandelingen door het bos van de radiosterrenwacht, en ja, ook door voormalig kamp Westerbork. Altijd voerden die wandelingen langs een huis, half verscholen tussen de takken, waarvan je als kind wist: daar woont nog iemand, in dat huis, dat ooit bij het kamp hoorde.
Op een plek waar verder niets meer overeind staat van een kamp, wordt een groen, houten huis dat kamp. Westerbork met de glazen stolp versus Sobibor met zijn huidige bewoners: hoe doe je recht aan de geschiedenis, is het eerste beter dan het tweede?
In de jaren tachtig ontving ik als kind de frequentie waarop de villa in Westerbork iets van zijn verleden uitzond; ik liep daar rond in mijn vertrouwde omgeving en kende de geheimen van dat landschap. Het nog altijd bewoonde huis was in al zijn alledaagsheid de gelijke van de voorbijganger, waarmee het deze aansprak, uitnodigde en moreel medeschuldig dreigde te maken: jij daar, jij zou ook over mijn drempel kunnen stappen, kijk maar, kom maar binnen… Voor de goede verstaander was dit huis een rappel.
Het huis onder de glazen stolp is niet meer het huis dat me waarschuwde als kind. In Sobibor zag ik daarvan heel even iets terug, de medeplichtigheid waar een bewoond huis je nog in kan meezuigen.

Ankie Lok is eindredacteur en freelance journalist. In 2019 reisde ze naar Polen en bezocht daar vernietigingskamp Chelmno, concentratiekamp Majdanek en de vernietigingskampen van Aktion Reinhardt: Belzec, Sobibor en Treblinka.

Lees hier deel 2 van deze blogserie. En lees hier deel 3.