Dit is de laatste blog van een tweedelige serie. De eerste vind je hier. In het aankomende nummer van Noorderbreedte verschijnt ook nog een uitgebreider stuk van Mark Middel over de verkiezingen. Dit artikel is nu al beschikbaar als premium content. Nog geen lid? Ga dan snel naar doe mee om een abonnement te nemen.

In slechts vier jaar tijd kan de wereld snel veranderen. Duurzaamheid was tijdens de vorige verkiezingen vooral een verhaal waarin GroenLinks en de Partij voor de Dieren zich onderscheiden van de andere partijen. Tijdens de komende verkiezingen geven alle partijen in hun verkiezingsprogramma’s er volop aandacht aan.

Op links is er zelfs nauwelijks verschil tussen de partijen en hun duurzaamheidsambities. Alle partijen stemmen in met het hernieuwde streven van de Europese Unie om 55 in plaats van 49 procent minder CO2 uit te stoten in 2030. GroenLinks en D66 gaan zelfs een stapje verder en willen een CO2-reductie van 60 procent in 2030. Alleen de Partij voor de Dieren gaat nog verder, die wil in 2030 helemaal klimaatneutraal zijn.

Ook qua originele verkiezingscadeautjes is er weinig onderscheid. Toen GroenLinks afgelopen jaar het idee naar buiten bracht om 17 miljoen bomen te planten, voor elke Nederlander één, leek dat een pakkende campagnebelofte. Maar inmiddels zijn meer partijen om: ook het CDA en de SP willen 17 miljoen bomen. En de Partij voor de Dieren gaat nog een stap verder: elk jaar moet er één nieuwe boom per inwoner worden geplant. Waar? Alleen D66 wijst plekken aan voor nieuw bos, waaronder op de Drentse zandvlaktes.

Hoewel de groei van windmolens en zonneparken niet lijkt te stoppen, moet er nog veel meer worden bijgebouwd om de Parijs-doelen in 2050 te halen. Maar waar?

En precies dat wordt de uitdaging voor de partijen de komende jaren: het gevecht om de ruimte. Hoewel de groei van windmolens en zonneparken niet lijkt te stoppen, moet er nog veel meer worden bijgebouwd om de Parijs-doelen in 2050 te halen. Maar waar? Het burgerlijk verzet tegen windparken op land en zonneparken op het platteland neemt toe. Bijna geen enkele partij rept daarover. En dat is niet voor niets. Het verzet in Groningen en Drenthe tegen de komst van twee windmolenparken rondom de provinciegrens leidde zelfs tot asbestdumpingen.

De natuur in Nederland is schaars en het weidse landschap in het Noorden wordt gekoesterd door de bewoners. Daarom branden de meeste partijen hun vingers niet aan windmolens op land en zonne-akkers op landbouwgrond, blijkt uit de verkiezingsprogramma’s. Nee, de windmolens moeten massaal op zee komen – als het aan GroenLinks ligt zelfs 60 gigawatt  – en de zonnepanelen op daken. D66 laat wel ruimte open voor grote zonneakkers en windmolenparken op land, maar dan geclusterd bij elkaar ‘op een aantal plekken in het land’. Maar waar blijft onduidelijk.

De enige partij die wel een concreet plan komt voor het ruimtegebruik is de Partij voor de Dieren. Zij willen een reductie van de veestapel van minstens 75 procent. Dat zorgt voor een afname van de CO2-uitstoot, maar ook voor de begeerlijke ruimte. Een groot deel van de landbouwgrond kan dan dienen voor de energietransitie, of woningen of nieuwe treinsporen. Maar daarin vindt de partij in het CDA een tegenstander, die wil ‘vitale landbouwgronden een beschermde status’ geven.

Maar niet alle partijen zien in windmolens en zonnepanelen een weg naar een duurzame toekomst. De PVV wil niks van dat alles en al het ‘andere landschapsvernietigende gekte’. Die partij wil kerncentrales en is daarin niet de enige. De VVD noemt kernenergie zelfs ‘onmisbaar’ en ook het CDA wil twee kerncentrales bouwen. Maar waar en voor wanneer, dat blijft ongewis.

Dus hoewel alle partijen, behalve de PVV, hun duurzame ambities de afgelopen vier jaar flink hebben bijgesteld, is het nog de vraag hoe die uitgevoerd gaan worden – en bovenal: waar?

Disclaimer: Op het moment van schrijven waren niet alle verkiezingsprogramma’s van de partijen definitief, tijdens partijcongressen konden leden punten herzien of toevoegen.