Groningen heeft een traditie van ontwerpmanifestaties en dat zullen de Groningers weten. Al is het doel van een manifestatie niet altijd dat de ontwerpen ook werkelijk gebouwd worden, toch schieten de resultaten van IntenseLaagbouw en BouwJong op dit moment overal de lucht in – het ene tientallen verdiepingen hoger dan de andere. Voor het Klimaatadaptatieweek Groningen leggen de provincie en de gemeente nu voor het eerst zowel stad als ommeland op de tekentafel.

Act & Adapt moet concrete ontwerpen ontwikkelen voor een klimaatbestendige provincie. De negen teams hebben ieder hun eigen gebied en specifieke problemen. Waar het centrum van Groningen in toenemende mate kampt met hittestress en wateroverlast, moet het centrum van Haren juist regenwater kunnen vasthouden voor drogere periodes. Schiermonnikoog wil zelfvoorzienend worden, terwijl het net als de Waddenkust te maken krijgt met verzilting en zeespiegelstijging.
Hoe vind je de balans tussen inspirerende visies en concrete ideeën? We vragen het de curatoren van de ontwerpmanifestatie, landschapsarchitecten Peter Veenstra (LOLA) en Yttje Feddes (Feddes/Olthof).

Hoe zijn jullie tot de verschillende ontwerplocaties gekomen?
Feddes: ‘We hebben een lijn getrokken van de Drentse zandgronden tot Schiermonnikoog en op die lijn vier landelijke en vijf stedelijke ontwerplocaties aangewezen. We zien in Groningen alle wateropgaven die je je kunt voorstellen. De landelijke opgaven gaan onder meer over de zoetwatervoorziening op Schiermonnikoog, de zeespiegelstijging aan de Waddenkust en de drinkwatervoorziening ten zuiden van de stad Groningen. Daarna hebben we casushouders gezocht die internationale ontwerpbureaus verbinden met de lokale opgaven, zoals waterschappen of terreinbeheerders. We zijn met de ontwerpbureaus drie dagen op stap geweest om met de bewoners van het gebied te praten en zo veel mogelijk input te krijgen.’

Noorderbreedte besteedt in dit nummer aandacht aan het werk van Jorryt Braaksma, wiens bureau voor landschapsarchitectuur LAMA ook aan de ontwerpmanifestatie deelneemt. Zijn opdracht is Schiermonnikoog zelfvoorzienend te maken in voedsel, water en ener­gie. Ook moet hij zorgen voor een sterke kustverdediging, dynamische natuur en duurzaam toerisme. Een hele klus. Kun je aan de hand van Schiermonnikoog uitleggen hoe zo’n ontwerpopgave tot stand komt?
Feddes: ‘Alle opgaven hebben we samen met de contactpersonen uit het gebied gemaakt. Op Schiermonnikoog zijn dat vertegenwoordigers van de gemeente Schiermonnikoog, Natuurmonumenten, Rijkswater­staat en Wetterskyp Fryslân. Tijdens de drie dagen op Schiermonnikoog hebben we met de vertegenwoordiger van de boeren op het eiland gesproken. Hij vertelde dat de boeren moeten extensiveren vanwege een te hoge stikstofdepositie op het duingebied en dat ze daarnaast in toenemende mate kampen met droogte en verzilting. De belangrijkste opgave voor Schiermonnikoog is zoet water vasthouden en het eiland verdedigen tegen de stijgende zeespiegel. Naarmate de zeespiegel stijgt, slinkt de zoetwaterbel op het eiland. Verder voert de polder het water uit de duinen te snel af. Daardoor is er in de droge periodes te weinig zoet water beschikbaar.

De wens zelfvoorzienend te zijn, komt van de gemeente en creëert een uitdagende opgave voor LAMA. Boeren op Schiermonnikoog produceren nu bijna uitsluitend melk, dus de landbouw zal veel diverser moeten worden. Ook moet Schiermonnikoog met een slinkende zoetwatervoorraad in zijn eigen drinkwater voorzien. Zo’n wens geeft een ontwerpbureau de kans een plan te maken dat tot de verbeelding spreekt.’

In alle ontwerpopgaven vragen jullie de bureaus honderd jaar vooruit te kijken. Klimaatverandering speelt weliswaar op lange termijn, maar is ook een urgent probleem. Waarom vragen jullie om een vergezicht?
Veenstra: ‘Door in één keer verder vooruit te kijken, dwing je de ontwerpers na te denken over fundamenteel andere oplossingen. Nederland heeft bijvoorbeeld zijn omgang met water de afgelopen eeuwen stukje voor stukje aangepast aan nieuwe omstandigheden. Zo ga je altijd verder op de ingeslagen weg.’
Feddes: ‘Een plan voor honderd jaar houdt ook een spiegel voor. Het toont of de stappen die we nu nemen zinvol zijn uit het oogpunt van klimaatadaptatie. Op Schiermonnikoog stop je dan misschien met dijken verhogen en kies je voor een andere omgang met het water. De ontwerpen tonen een koers voor de lange termijn waar je acties voor de korte termijn aan kunnen refereren.’

Weer een uitstapje naar Schiermonnikoog: zetten de belangrijke partijen daar op dit moment zinvolle stappen?
Feddes: ‘Jazeker. Rijkswaterstaat versterkt de kust met zandsuppletie. Zo vergroot je het duingebied en kun je meer zoet water vast­houden. Natuurmonumenten vormt er ecolo­gisch oninteressante naaldbossen om. Dat zijn goede voorbeelden van al gaande processen waar een architectuurbureau als LAMA met zijn ontwerp op kan aanhaken. Dat is voor ons een vereiste. We willen een inspirerende visie die met concrete ontwerpvoorstellen geworteld is in de realiteit – geen abstracte kaart met een paar pijlen en cirkeltjes.’

De ontwerpers moeten dus balanceren tussen inspirerende visies en concrete ontwerpvoorstellen. Lukt dat?
Veenstra: ‘We zien dat het in de stad eenvoudig is om concrete plannen te maken, maar het lastig is om radicale voorstellen te doen. Het verkeerssysteem vormt er de openbare ruimte. Als je het verkeer moet aanpassen om de stad klimaatbestendig te maken, moet je de hele stad overhoopgooien. Zo open je een complex vraagstuk dat groter is dan de opdracht. In het landelijk gebied zien we dat het juist eenvoudig is een nieuw systeem te ontwerpen, maar dat het lastig is daar een concreet stappenplan voor te maken.’
Feddes: ‘Stel, je wilt aan de Waddenkust binnendijks natuur ontwikkelen en buitendijks voedsel verbouwen als antwoord op de verzilting, dan kun je beginnen met wat stuwen aan te passen, maar uiteindelijk vereist zo’n plan vergaande aanpas­singen in de waterhuishouding. Als je op Schiermonnikoog in de duinen meer water kunt vasthouden, zal toch ook de hele polder op de schop moeten om te voorkomen dat het water alsnog wegstroomt.’

We kunnen in januari de resultaten zien op de expositie. Voor wie is die bedoeld?
Veenstra: ‘De expositie is voor iedereen, want we willen dat iedereen begrijpt wat de opgave is. In tweede instantie gaat het om een evenement voor vakmensen. De ontwerpmanifes­tatie is het onderdeel van de klimaatweek dat gaat over hoe ontwerpers en overheden het landschap kunnen veranderen. We willen kennis en inspiratie invliegen en uitwisselen. Het is mooi als de ontwerpbureaus de kennis die ze hier opdoen weer meenemen naar hun eigen steden. Omgekeerd tonen we in de expositie ook internationale voorbeelden van projecten die al aan de gang zijn.’

En gaan we veel nieuwe ideeën zien?
Veenstra: ‘De ideeën zijn niet zozeer nieuw, maar scherper. We begrijpen steeds beter wat er aan de hand is en hoe je daarmee kunt werken; wat realistisch en kansrijk is. We hopen daarom dat de manifestatie het beginpunt is van ontwerpen waarbij de bewoners nauw betrokken zijn. We willen niet de indruk wekken dat we dat in een kort tijdsbestek al kunnen doen.’ Feddes: ‘Groningen heeft gelukkig een traditie van radicale ingrepen. De Groningers kunnen deze manifestatie wel aan.’

Act & Adapt
De ontwerpmanifestatie start op 19 januari en bestaat uit drie onderdelen. Ten eerste een expositie in de binnenstad van Groningen waarop een manifest, een publicatie, en misschien VN-secretaris Ban Ki-Moon verschijnen. Ten tweede een digitale expositie waarin je door de nieuwe ontwerpen kunt wandelen. Ten derde panelen op de locaties zelf.