Meer lezen over onze #vrijetoukomst-actie? Lees de digitale special, luister naar onze eerste podcast, of lees hieronder snel verder. 

De nasmaak van water

In 1987 schreef Wil Casparie De nasmaak van water. Nu, 33 jaar later, is het nog steeds actueel. De stelling van het stuk is als volgt: ‘De suggestie, dat er van een droogteprobleem sprake is, is onjuist. Het is een natheidsprobleem, dat door de diepe voorjaarsontwatering onjuist wordt aangepakt. We gaan in onze verspillingsekonomie verkeerd met water om.’

Interessant om te zien is dat veel van de #vrijetoukomst-plannen rondom water inspelen op dit probleem. Hoe ga je om met soms te veel en soms te weinig water? Het ene plan oppert een dijk, het andere juist toelaten van de zee. 

Hoe het probleem is ontstaan legt Casparie als volgt uit: ‘Met het afgraven van de venen, het is algemeen bekend, de ontginning van de woestegronden en het rechttrekken van de beken is het natuurlijke hydrologische systeem om zeep geholpen. Daarmee werd het begrip droogteschade gemeengoed in de agrarische bedrijfsvoering.’

‘Er is een fors aantal maatregelen nodig om, zonder verstrikt te raken in het schijnprobleem van de droogteschade, een waterbeheer te ontwikkelen, dat leidt tot water van goede kwaliteit en dat recht doet aan de belangen van alle gebruikers. Een belangrijke vraag hierbij is: zijn we nou echt niet technisch in staat om 10 à 12 % minder water af te voeren en dus in het gebied zelf vast te houden? Daar gaat het namelijk om.’ 

‘Het opzetten van het waterpeil in de bodem is al een belangrijke maatregel; het aanleggen van watervoorraden op zo hoog mogelijk niveau in het gebied, in de vorm van spaarbekkens of door het inunderen van een fors gebied, is het overwegen waard. Waar mogelijk zal het oorspronkelijke  hydrologische systeem weer hersteld moeten worden. Dit is in ieder geval nodig om de verdroging van de bodem, die de laatste decennia in versneld tempo optreedt, een halt toe te roepen.’

Beschrijft Rob Roggema dan hier misschien de oplossing waar Casparie 33 jaar geleden op hoopte? Roggema: ‘Als we de Groningse kustlijn nu weer eens iets perforeren, dan kan het rijke slib en zand de Groningse bodem mee helpen groeien en weerbaar worden tegen de daling. Het land groeit weer mee, rijst op uit de zee, en wordt van nature weer veilig. Dat biedt niet alleen veiligheid, maar ook een nieuwe vruchtbaarheid, een nieuwe Groninger zeeklei wordt immers gratis aangevoerd. In dit landschap herstelt de natuur zich en ontstaat een veerkrachtig landschap dat water kan vasthouden, als een spons.’

Casparie: ‘Alleen door beter met het water in het Noorden van Nederland om te gaan, kunnen we voorkomen, dat het een bittere nasmaak krijgt.’  
  


Het nieuwe denken over waterberging: meebewegen!

In 2004 schreef Carla Alma Het nieuwe denken over waterberging: meebewegen!. Daarin gaat ze in gesprek met Herman Sips, waterschapsbestuurder, die zoekt naar alternatieven voor kunstmatige waterberging. Ze maken een rit door de Peizer- en Eeldermaden, die door waterschappen en provincies toendertijd net waren aangewezen als natuurlijk overstromingsgebied.

Afgelopen zomer pleitte Noorderbreedte en Noorderruimte voor groots en vrij denken. Volgens Sips is dat hoognodig. Alma: ‘Het gebied tussen het Leekstermeer en het Eelderdiep is zo’n 5000 hectare groot. Daarvan zal 1500 hectare een rol moeten gaan spelen in de nieuwe plannen voor meebewegende waterberging. “Je moet in dit soort zaken grootschalig durven denken”, meent Herman Sips. “Het stroomgebied van Drenthe tot aan het Lauwersmeer (in waterschapstermen: de Electraboezem) is zo’n 100.000 hectare groot. Slechts anderhalf procent daarvan is wateroppervlak. Bij hevige regenval, die de laatste jaren steeds vaker voorkomt, moet dat geringe wateroppervlak al het water verwerken dat van het Drents Plateau afstroomt en dat uit de polders wordt gemalen. Dat lukt dus niet meer. Het water stijgt te snel en het risico op ongewenste overstroming is te groot. We hebben de laatste jaren binnen de Stuurgroep Water 2000+ ingezet op noodberging, waarvoor enkele gebieden zijn aangewezen. Maar nu maken we een omslag in het denken. Door 1500 hectare permanente overstromingsruimte toe te voegen aan ons stroomgebied verdubbelen we onze bergingscapaciteit in één klap. Grofweg brengen we daarmee zowel de stijghoogte als de stijgsnelheid van het waterpeil tot de helft terug.”’

‘We hobbelen richting Peizerdiep. “Kijk”, wijst Sips, “hier moet je het gebied open durven gooien voor overstroming met water, op welke manier maakt niet uit. Leg een paar duikers onder zo’n dijkje door of verwijder de kades langs de diepen. Het leidt tot het herstel van een natuurlijk systeem zoals dat hier eeuwen gefunctioneerd heeft en dat is goed voor flora en fauna, maar ook voor de mens die hier vanuit de stad kan uitwaaien. Dit gebied wordt de natuurlijke tegenpool van de stad, in feite een groot nieuw Stadspark voor Groningen, met veel water er in.”’

‘Hij legt uit hoe de natuurlijke waterbuffer langzaamaan verdwenen is. “In de loop van de laatste anderhalve eeuw is de boezem sterk verkleind. Vijf boeren staken de koppen bij elkaar, maakten een kade om hun land, pompten het leeg en je had weer een waterschapje. Zo ging dat overal. Er is te weinig rekening gehouden met het water als een krachtig element dat ergens toch zijn weg moet vinden. We moeten dat denken weer ombuigen.”’