Op het meer dobberen zwanen, libellen zoemen om ons heen, vlinders fladderen van bloem tot bloem. Als we de top van de heuvel hebben bereikt, maakt een konijntje zich vliegensvlug uit de voeten. Dieren hebben Park Meerstad bij de stad Groningen al weten te vinden. Het nieuwe park is bijna klaar. Het is een zonnige lentedag. Met beide ontwerpers, beeldend kunstenaar Jeroen Doorenweerd (1962) en landschapsarchitect Mathijs Dijkstra (1972), verkennen we een lustoord in wording.


Het park is onderdeel van een forse stadsuitbreiding in landelijk gebied, twintig minuten fietsen van de binnenstad. Rond een kunstmatig meer komen ruim 4.800 woningen, een paar honderd zijn al bewoond. Mathijs Dijkstra, oprichter van bureau LAOS Landschapsarchitecten, kreeg de vraag mee te denken over een park van bijna tien hectare: ‘Bureau Meerstad had samen met het Centrum Beeldende Kunst een pitch georganiseerd voor een groot kunstwerk. Daar is Jeroen uit voortgekomen. Hij zei: ik heb geen zin iets te maken om in een park te zetten. We moeten vanuit één gedachte het gehele park vormgeven. Dat was voor mij een nieuwe aanvliegroute en dat prikkelde.’
Wie het werk van Jeroen Doorenweerd kent, zal niet verrast zijn – de kunstenaar heeft door heel Nederland werken in de buitenlucht gemaakt, van een museumtuin in Tilburg en een bedrijventerrein in Hoofddorp tot een havengebied op de Maasvlakte. ‘Ik houd ervan werk te maken dat niet plompverloren op een locatie wordt gedropt,’ zegt hij, ‘maar dat een relatie heeft met het gebied en daar een extra betekenis aan toevoegt.’

Reusachtige ribbels

Opvallend aan Park Meerstad zijn de reusachtige ribbels in het terrein, een soort kunstmatige heuvelruggen, begroeid met grassen en bloe­men, en her en der beplant met bomen. Verder zijn er een zandstrand­je, een speeleiland, een betonnen fietspad dat het gebied doorsnijdt, kronkelende wandelpaden, een veld en een pier, maar ook een par­keerterrein. Er is gerekend op toekomstige uitbreiding met een horecavoorziening. Hoe begin je met zo’n ingewikkeld programma van eisen?
Doorenweerd: ‘Ik heb al vaak gewerkt met architecten en stedenbouwkundigen. Meestal zit je dan rond een kaart van de bestaande situatie met daaroverheen een vel transparant papier zodat iedereen er met een viltstift op kan krassen. Maar als kunstenaar heb je ook andere middelen tot je beschikking. Voor de aanleg van het meer is grond uit­gegraven. Er was dus een grote berg grond. Voor een beeldhouwer is dat interessant. Van begin af aan wilde ik iets doen met reliëf.’

Het fietspad snijdt als een lineaal door het golvende terrein

‘Grondbalans’ is hier het toverwoord, het evenwicht tussen de hoeveelheid af te graven en aan te voeren grond bij bouwwerkzaamheden. Dijkstra licht toe: ‘Voor de heuvels die we wilden maken, hadden we meer aarde nodig. De bodem hier is slap en ongestructureerd – klei op veen, veen op klei. We moesten dus goede grond aanvoeren van el­ders uit het plangebied. Die moet zich eerst zetten. Dat is een langdurig proces. Je bouwt de hoogte op in lagen, en elke nieuwe laag drukt de lagen eronder verder in elkaar. Er is ook veel grond aangebracht die later weer is weggehaald, om de heuvels hun juiste vorm te geven.’
Heuvels ontwerpen – dat klinkt tegennatuurlijk. Doorenweerd vertelt dat hij heeft gezocht naar een manier om een reliëf te maken dat er niet ontworpen uitziet. ‘Ik logeerde hier in een soort drijvende bunga­low. Op een gegeven moment scheen de zon op mijn bed en vielen mij de plooien in het laken op. Dat was precies wat ik zocht: een reliëf dat ongepland was en op bijna natuurlijke wijze was ontstaan.’ Hij vormde met laken en stijfsel een geribbeld oppervlak dat min of meer strook­te met zijn vereisten. Daarvan maakte hij een wasafdruk die nog wat is bijgeschaafd. De hellingen bijvoorbeeld mochten niet te steil zijn, want dan zou de grasmaaimachine omkantelen.
De maquette van was vormde de basis voor een digitaal 3D-model. ‘Lawrence Weiner, hè’, zegt Doorenweerd lachend. Hij citeert een tekstwerk van de Amerikaanse conceptualist: ‘A TRANSLATION OF ONE MATERIAL TO ANOTHER’. Maar als je dan achter je computer zit, rijst de vraag: hoe dit uit te voeren zodat het goed aanvoelt? Inmiddels zijn we technisch zo ver dat bulldozers een gps op hun bak hebben staan en het werk bij wijze van spreken kunnen uitvoeren als een computergestuurde 3D-printer.’ Dijkstra vond dit de spannendste fase in het creatieve proces: ‘Als je plooien in een laken uitvergroot, maak je eigenlijk een cultuurlandschap, maar toch ziet het er natuurlijk uit. Ik vind die balans mooi. En de natuur neemt het langzaam over. Er groeit gras op de hellingen, eenden strijken hier neer.
Omdat de wandelpaden nog niet zijn aangelegd, stappen we over de afrastering en struinen we door het hoge gras over de heuvels. Op de top, waar we in de verte de hoogbouw van Groningen kunnen zien, voelen we de wind door onze haren wapperen. In lagere gedeelten, beschut door glooiende flanken, heerst luwte. ‘Mij gaat het om de sensuele beleving van het landschap,’ zegt Doorenweerd, ‘om good vibrations.’ Dijkstra wijst erop dat het park voortdurend zal veranderen: ‘Het basismengsel voor de beplanting is ingezaaid, maar moet zich nog uitsorteren afhankelijk van regen, zonlicht en temperatuur. Zo ontstaat een ecosysteem dat zichzelf formeert en van aangezicht verandert als weer andere soorten tot bloei komen.’
Meerstad, een wijk aan glinsterend water, lijkt het exclusieve domein van jonge gezinnen en welgestelde tweeverdieners. Wordt het park de speeltuin van deze buurt? Doorenweerd: ‘De ambitie is dat het ook functioneert als stadspark. Ik hoop dat mensen uit Groningen hier naar het strand komen.’ Dijkstra acht dat haalbaar: ‘Voor het oostelijk deel van de stad kan het een stadspark worden, zeker als er een paviljoen komt.’ Ondertussen worden plannen gesmeed voor de bouw van een basisschool, een supermarkt en een huisartsenpost. De toegangsweg vanaf de ringweg wordt nu aangelegd. Als straks duizenden bewoners in Meerstad staan ingeschreven, zal het stadse karakter toenemen. Anders dan in de rest van de provincie is in en rond de stad Groningen de behoefte aan woningen enorm. Volgens Dijkstra is de vraag niet óf de weilanden tussen Groningen en Meerstad volgebouwd zullen worden, maar wanneer.
We lopen over de stoep langs het fietspad dat als een liniaal door het golvende terrein snijdt. Het pad, gebouwd van geprefabriceerde, hagelwitte betonplaten, negeert de hoogteverschillen en ziet er van een afstand uit als een strakke, langgerekte sculptuur. Het ontwerp is afgestemd op een andere bewegingssnelheid dan die van de recreant aan het strand of de automobilist die om het park heen rijdt. ‘Met ver­schillen in snelheden hebben we rekening gehouden’, zegt Dijkstra. ‘Wat zijn de zichtlijnen van fietsers? Waar is de snelheid van de auto het hoogst? Binnenkort gaan we de wandelpaden uitzetten en bepalen we de uitkijkpunten voor de wandelaars.’

Dienstbare kunst

Doordat er tonnen aarde voor zijn verplaatst, doet het park denken aan roemruchte land art uit de jaren zestig. Michael Heizer bijvoorbeeld groef met bulldozers in de woestijn van Nevada een metersdiepe sleuf van bijna een halve kilometer lengte. Het waren de hoogtijdagen van het dust & diesel-machismo in de sculptuur. ‘Ik ben een fan van Heizer,’ zegt Doorenweerd, ‘van Robert Smithson en Richard Serra. Ik houd van de grootschaligheid van hun beelden, het krachtsvertoon. Maar zoals zij te werk gingen is niet meer van deze tijd. Tonnen staal neerzetten om je eigen positie in de kunst te markeren, daar zit niemand meer op te wachten. Mijn werk hoeft zich niet op de kunstwereld te betrekken om relevant te zijn. Volgens filosoof Timothy Morton maakt de mens deel uit van een groter ecologisch systeem. Jongere kunstenaars zijn zich daarvan bewust en stellen niet langer hun ego voorop. Dat vind ik super interessant.’ Dijkstra bevestigt de paradigmaverschuiving: ‘De grondhouding is anders geworden, de blik is nu eerder integraal. Wat kunnen wij bieden aan andere systemen opdat die hier kunnen gedijen?’
Een nobele gedachte. Maar is het risico niet dat het kunstwerk, ondanks zijn kolossale afmetingen, in de omgeving dreigt op te lossen en niet langer als sculptuur herkenbaar is? Stellen kunstenaar en landschapsarchitect zich niet al te dienstbaar op? ‘Natuurlijk is het werk dienstbaar,’ beaamt Doorenweerd, ‘maar tegelijk is het radicaal. Niemand wordt een kunstbeleving opgedrongen. Sterker, de ervaring van gebruikers van het park is deel van het werk. We hebben tools uit de kunst gebruikt om een gebied te maken dat geen kunstwerk meer nodig heeft.’ Punt gemaakt. Hoe ziet Dijkstra dat? ‘Als landschapsarchitect ben je in zekere zin altijd dienstbaar: je geeft vorm aan een publiek programma. Tijdens je studie word je gekneed dat op een bepaalde manier te doen. Hier hebben we dat helemaal los­gelaten. Dat was bevrijdend. Niet vanuit een programma zoeken naar een passende vorm, maar vanuit de vorm bedenken hoe je het programma zo goed mogelijk kunt realiseren.’

‘Natuurlijk is het werk dienstbaar, maar tegelijk is het radicaal’
(Jeroen Doorenweerd)


Zo is Park Meerstad een kunstwerk geworden dat niet direct als kunst­werk valt te herkennen. Misschien hebben Doorenweerd en Dijkstra iets gecreëerd wat kinderen die hier opgroeien zich later zullen herin­neren als het decor van hun jeugd. Doorenweerd: ‘Voor mij wordt het pas interessant wanneer je werk deel uitmaakt van andermans erva­ring. Vandaag de dag gaat sculptuur niet over onvergankelijkheid en monumentaliteit, maar over interactie en gebruikswaarde.’
Tegenwoordig zijn veel kunstenaars die in de openbare ruimte werken sterk ecologisch georiënteerd. Ook Dijkstra en Doorenweerd hebben zich over het park als ecosysteem gebogen. Via drie uitlopers is het park verbonden met het natuurlijke groen rondom Meerstad. ‘Zie je die gele rietkraag daar?’, vraagt Dijkstra. ‘Daar filtert een helofytenfilter het water uit het meer op natuurlijke wijze.’ De ecologisch rijkste plekken, zegt Doorenweerd, zijn de gradiënten, de overgangsgebieden tussen hoog en laaggelegen grond, tussen natte en droge gedeelten. ‘Een Duitse professor in de permacultuur leerde mij altijd zo veel mogelijk gradiënten toe te passen.’
De uitvoering is bijna voltooid. Natuurlijk storen de twee zich aan slordigheidjes in de detaillering, maar over het algemeen zijn ze tevreden. Park Meerstad past met zijn weidse, open karakter in de traditie van de Engelse landschapstuin, maar geeft er toch een nieuw gezicht aan. ‘Het is een mooi, samenhangend geheel geworden,’ vindt Dijkstra, ‘de dynamiek van de glooiende heuvels en de strakke vorm­geving van de paden versterken elkaar’. Doorenweerd is trots dat het gelukt is ‘de ruimte in één groot gebaar plastisch neer te zetten’. Door de coronacrisis is de feestelijke opening uitgesteld. De konijnen hebben nog even het rijk alleen.

‘Bevrijdend: vanuit de vorm bedenken hoe je het programma kunt realiseren’
(Mathijs Dijkstra)

Het werk van beeldend kunstenaar Jeroen Doorenweerd (1962, Terneuzen) ligt ergens tussen sculptuur, design en landschapsarchitectuur in. Hij maakte bijvoorbeeld een interface tussen wal en schip in Lewenborg, verhief een schip op een enorme mast in Hoorn, construeerde een boomhutwoning in ecodorp Boekel en is bedenker van allerhande installaties. Ook schildert hij en werkt hij met media-technieken. In het Tilburgse museum De Pont (1993) speelde hij al met de ruimte van de tuin door via enkele terughoudende ingrepen de waarneming van de bezoekers te veranderen. Doorenweerd laat het publiek vaak bewust deel uitmaken van zijn kunstwerk.

Dit interview is afkomstig uit de Noorderbreedte-special bij Nb #3 2020: Park Meerstad