Het wordt een moeilijke eeuw voor het dorpse leven in Groningen. Door toenemende gezondheids- en inkomensverschillen, extremere weersomstandigheden en de tol van zeventig jaar grootschalige ruilverkaveling is de toekomst het Groninger dorp nog nooit zo donker geweest. En dat is nog buiten de lange-termijn effecten van de aardbevingen en Corona gerekend. Alleen een nieuwe ruimtelijke ordening en een duurzaam landgebruik kunnen het dorp succesvol door de 21ste eeuw loodsen. Een ordening waarin de leefomgeving van mens, plant en dier centraal staat en niet de optelsom van louter economische ontwikkelingen. Maar hoe komen we daar? Door klimaat, gezondheid en leefbaarheid als ruimtelijke opgaven te benaderen. Door grenzen te stellen aan onze economie. Door in onze liefde voor de pittoreske Groninger dorpjes niet blind te zijn voor de onderhuidse leefbaarheidsproblemen. Door een heroriëntatie op ‘de Groninger identiteit’ als grootschalige landbouwprovincie. En bovenal door dorpsinclusief te leren denken. Hier is moed en creativiteit nodig, bij veel partijen. En een geloof in maakbaarheid.

Investeren in natuurlijk en sociaal kapitaal

Het is de verwachting dat vooral huidige economische ontwikkelingen nieuwe ruimteclaims genereren voor woningbouw, infrastructuur, nieuwe bedrijven en energietransities. Alle hebben ingrijpende gevolgen voor het landschap. Zonder visie op een duurzame economie zullen leefbaarheid en landschap verder in de verdrukking komen. Belangrijk kantelpunt is dat we daarom anders durven kijken naar de wijze waarop we de economie stimuleren en begeleiden. Sir Andy Haines, professor Klimaatverandering en Volksgezondheid aan de London School of Hygiene and Tropical Medicine, formuleerde het onlangs als volgt: “we need an economy which prioritises, health, happiness and fulfilling employment rather than economic growth for its own sake. The economy of the future will need to operate within environmental limits as current trends are unsustainable.” 

De Groninger economie zal zich aldus moeten ontwikkelen binnen de grenzen van wat duurzaam wenselijk en mogelijk is. Dat kan door meer aandacht te hebben voor de waarde en de mogelijkheden van het aanwezige natuurlijk kapitaal. Dit houdt in de organismen, grondstoffen en ecosystemen die het voor bedrijven mogelijk maken om producten te maken en diensten te leveren. Steeds meer onderzoek laat zien hoe je natuur daarbij waardevermeerderend kunt inzetten. De Leidse hoogleraar Natuurlijk Kapitaal, Koos Biesmeijer, noemt de natuur een “schatkist vol met slimme oplossingen, waardevolle processen en innovatieve chemie”. Net als Haines stelt hij daarbij dat economische activiteiten nooit een dermate groot beslag moeten hebben op de omgeving dat de leefomgeving voor flora, fauna of mensen er veel slechter van wordt. 

Een dergelijke stelregel staat op de alledaagse praktijk. Goed voorbeeld is de nieuwe vestiging van McDonalds in Kolham. Werkgelegenheid en bereikbaarheid zijn de belangrijkste afwegingsfactoren bij de besluitvorming geweest, terwijl de gevolgen voor de volksgezondheid nooit serieus zijn onderzocht. Uit Amerikaans onderzoek blijkt echter dat ‘food swamps’ als McDonalds de kans verhogen op hart- en vaatziekten voor scholieren en omwonenden in de directe omgeving. Rotterdams onderzoek toont aan hoe de beschikbaarheid van fast food een vlucht heeft genomen in wijken waar veel sociale minima wonen, terwijl het aanbod van vers voedsel daar tegelijkertijd drastisch gedaald is. Door deze ongezonde voedselomgeving dreigt verdere groei van obesitas, een belangrijke factor die bijdraagt aan gezondheidsverschillen. De baten van de nieuwe werkgelegenheid door fast food vestigingen zullen, zo is de verwachting, op termijn niet opwegen tegen de lasten voor het lokale gezondheidsstelsel als gevolg van een steeds ongezondere voedselomgeving. Het oog hebben voor dergelijke consequenties van ruimtelijk-economisch beleid is dus essentieel. Zeker als het gaat om een regio waar de inwoners al een bovengemiddeld kwetsbare gezondheid hebben. 

Investeren in natuurlijk kapitaal betekent dus een heroriëntatie op hoe Groningen nieuwe werkgelegenheid wil aantrekken. Volgens RUG prof. Hans Allers tekent zich onder wetenschappers consensus af dat beleid op het gebied van het sociaal en economisch kapitaal niet moet zijn gericht op topsectoren of valleys, maar juist de voorwaarden moet scheppen waaronder de markt voor groei kan zorgen. Voor bestuurders is dat natuurlijk minder aantrekkelijk. Investeringen in het recente Hydrogen Valley zijn veel makkelijker aan het publiek te verkopen dan de betrekkelijk saaie zaken als goed onderwijs, goede regionale verbindingen en aantrekkelijke voorzieningen. Toch zijn gerichte investeringen in het eigen ecosysteem de reden waarom brainbelts als Eindhoven zich zo succesvol hebben ontwikkeld, en juist niet het sectorgestuurde beleid waar veel regio’s nog op inzetten. De “war on talent”  laat zien dat regio’s die het meest investeren in quality of life het beste scoren als aantrekkelijke vestigingsplaats voor bedrijven. Harvard econoom Edward Glaeser omschrijft het treffend: ”The best development strategy to attract smart people is to provide them with amenities and get the hell out of their way.” Deze amenities zijn dan goede (internationale) scholen, gevarieerde en betaalbare woonomgevingen, hoogwaardige ov verbindingen en aantrekkelijke recreatiemogelijkheden. Veelal zaken die vragen om ruimtelijke regie, en veel minder om de sectorale benadering van groene chemie, agrofood, energie en digitaal waar Groningen nu mee adverteert. 

Voorwaarde voor een duurzame toekomst: Professionaliseer de lobby voor de leefomgeving

Hoe ziet Groningen er in 2040 uit? Het is een vraag die op veel beleidstafels ligt, vooral als het over het aardbevingsgebied gaat. Bezien vanuit de bovengenoemde transities is een leidende rol noodzakelijk voor de fysieke leefomgeving van mens, plant en dier.

De omslag van een provincie die thans wordt gekenmerkt door intensieve akkerbouw naar een provincie waar een hoogwaardige leefomgeving centraal staat, vraagt om een andere mindset onder bestuurders. Dat gaat niet vanzelf. Staande belangen hebben zich genesteld in ambtelijke en bestuurlijke organisaties en in hun interactie met agrarische en industriële belangenverenigingen. De derde voorwaarde is om hier meer tegenwicht aan te bieden door de lobby voor de leefomgeving te professionaliseren. Het meest bekende en succesvolle voorbeeld op dit vlak is de National Trust in Engeland. Het succes van een Groninger variant op de National Trust kan bereikt worden als verschillende bestaande instellingen zich achter dezelfde missie scharen: dorpsverenigingen, erfgoedverenigingen, agrarische natuurverenigingen en landschapsbeheerders. In plaats van een one issue vereniging of stichting kan men door samen te werken pleiten voor het brede belang van een duurzame leefomgeving waarin economie, cultuur en natuur allen een plaats hebben. Pas dan ben je in staat om aanzienlijke beleidsmiddelen en beleidsinhoud om te buigen van economisch kapitaal naar natuurlijk kapitaal.

Groningen is maakbaar

Het belang van een transitie naar een duurzaam en klimaatbestendig landschap waarin mensen kunnen leven, werken en recreëren; de bedrijven melk, kaas en bier voor ons produceren; we droge voeten houden ondanks de klimaatverandering en we al fietsend de geluiden van grutto’s, bijen en groene kikkers horen. Het vergt van Groningen en haar inwoners een nieuw verhaal vol verbeeldingskracht. Een verhaal waarin we niet de vruchtbaarheid van de klei vooropstellen, maar het welzijn van de Groninger. Een verhaal tenslotte, dat aansluit op onze rijke ruimtelijke historie van wierden en dijken, de openheid, de karakteristieke dorpskernen, de waterlopen, de kerken en de molens: het zijn allemaal beeldbepalende elementen die door mensenhanden zijn gemaakt, en niet van nature zijn ontstaan. Groningen is maakbaar, zo leert het verleden. Laat de toekomst dat ook zijn. 

Dit artikel is samengesteld uit het essay ‘Ruimte voor een nieuwe tijd en een dorpsbouwmeester.’. Dit essay is via pdf beschikbaar om integraal te lezen.