Marloes Fopma kijkt niet weg. Ze vangt je. Met haar blik. Haar weloverwogen woorden. Haar fascinerende vertellingen. Achter haar grote bril gaan twee wijze, liefdevolle ogen schuil.

Het huisje waar ze met haar man Danny en zoontje Jelle woont, staat nog oostelijker dan Oosterend. Op dit uiterste stukje Terschelling is het nog echt wild: het is er aardedonker, bij storm onstuimig. Het wordt omhelsd door de Noord- en Waddenzee en de ruige Boschplaat met levendige duinenrij vormt hun achtertuin.

Ze kent de kracht van de natuur, ook de duinen waarin ze regelmatig wandelt, veranderen met de dag. De zee en wind vormen het landschap. Zand stuift het achterland in, waardoor de duinenrij steeds breder wordt. Ze zegt: ‘Als klein meisje staken de strandpalen nog ver boven het zand uit.’ Inmiddels kan ze haar been er overheen slaan. De duinen worden niet meer beheerd, want de natuur regelt het zelf. Ze vertelt over kustwetenschapper Edwin Elias. Hij is van mening dat als je aan de kust wil wonen, wat zeespiegelstijging betreft, het best op Terschelling kunt zitten.

En dat geeft een veilig gevoel.

Delen drijft haar. Delen van haar liefde voor het eiland waar ze opgroeide: Terschelling. Als ze vertelt over het eiland verschijnt er een traan in haar ooghoek. Niet van verdriet, maar van adoratie, van liefde. In die ene traan ligt al haar eilanderaanbidding gevangen. Ze deelt haar liefde in haar verhalen, die ze overal op het eiland eigenhandig bij elkaar jut. En ze geeft het eiland daarmee een gezicht, een stem.

Marloes komt uit een horecagezin. Het was altijd haar droom om een eigen zaak te beginnen, maar het leven stuurde haar een andere kant op. Ze ging op reis, schreef daarover, en ontdekte dat schrijven haar grote passie was. Haar droom om een eigen horecazaak te beginnen ging overboord. Schrijven moest het worden. Op een avond zei haar man Danny: ‘Ik ben gek op mijn meisje en gek op het eiland.’

Het Eilandmeisje was geboren.

Als Verhalenjutter heeft ze een zelfbedacht beroep gekozen waarin alles samenkomt: ze zette een Verhalen-atelier op en van daaruit vertrekt ze met de groepen naar de duinen, voor een wandeling en een vertelling bij het ochtendgloren, of juist bij zonsondergang. Ze vertelt onderweg over eilandertradities, over typische gebruiken en over de oude bewoners van dit oostelijke stukje eiland: jutters, roeiers van de reddingsboot, boeren.

Ze is gedreven. Ze verbindt. Schept en vormt. En voor alles wat ze bedenkt geldt: als het goed voelt, dan gaat ze er vol voor. Marloes ziet vooral mogelijkheden, weet slimme verbindingen te leggen en navigeert volledig op gevoel.

Ze schreef het Terschellinger ABC, een prentenboek waar ook volwassenen nog veel van opsteken. Bij de J van jutter is te lezen: ‘Strôn feroemet wol, mar feriket net.’ Ze legt uit: ‘Het strand verruimt de geest, maar verrijkt niet.’ Ze doelt op de ramp met de MSC Zoe. Het ging haar aan het hart om de eindeloze stroom troep te zien. ‘Op het strand komt de ware aard van mensen boven’, zegt ze.

Zij en haar man zijn gaan opruimen, en dat doen ze nog altijd.

De Waddenzee verdrinkt. Hoe kijken kustbewoners naar de zee? Vrezen ze de stijging van de zeespiegel of laat die hen onberoerd? Carlien Bootsma liep in een aantal weken de Waddenzee rond en schrijft daar een serie verhalen over. De kustbewoners die haar pad kruisten, vertellen wekelijks hun verhaal op onze website.

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (www.fondsbjp.nl).

In april blikt Carlien Bootsma terug op haar wandelingen langs het Wad in een essay in het tijdschrift Noorderbreedte.