Michael Horn nipt van zijn gemberthee aan zijn keukentafeltje in zijn huis in de Dorpsstraat op Vlieland. De schilderspullen in de hoek onthullen zijn liefde voor kleuren, vormen en voor hun samenspel. Op dezelfde keukentafel legt hij, als hij schildert, zijn onbeschreven doek, om het in te vullen met het beeld dat hij zo duidelijk voor zich ziet.

Een horizon, een volle maan boven een vrije zee. In rechte lijnen. Overzichtelijk. Simpel. Eenvoud is voor hem belangrijk, want er is al genoeg afleiding in het leven. Genoeg drukte. ‘Het is juist goed als wij mensen weer terug leren keren naar het niets’, zegt hij.

Michael is rust. Zachtheid. Hij kijkt niet weg en in zijn ogen ligt innige interesse. Hij is de verwondering voor de wereld niet verloren. En als hij spreekt, gebruikt hij zijn handen om zijn woorden kracht bij te zetten. Hij dirigeert zijn zinnen stilletjes met vloeiende werkhanden.

Zijn laatste werk staat uitgestald voor zijn huiskamerraam, zodat mensen in de Dorpsstraat het kunnen zien. Een kwal, zwevend in zee, in diep donker blauw. Michael gebruikt geen zwart, maar mengt de kleuren zo, dat de diepe donkerte naar voren komt. Dat leerde hij toen hij nog huizen schilderde, want dat is zijn eigenlijke beroep.

Hij heeft altijd binding met de zee gevoeld, met het water. De zee trekt hem naar zich toe. Met haar weidsheid, met de vondsten die ze op het strand werpt. Hij dwaalt en dwaalt snel af. Hij zoekt. Vindt. Getuige het stuk barnsteen dat hij om zijn nek draagt, miljoenen jaren oud, gevonden op het Deense Wad.

Michael is als kind altijd in beweging. Nieuwsgierig naar de wereld. Hij neemt niet zomaar iets voor waar aan, maar onderzoekt liever. Nog altijd. Hij zoekt zijn eigen weg. Hij woont in zijn jeugd steeds ergens anders en dat heeft voor- en nadelen: hij voelt zich nergens geworteld, maar ook overal thuis. Ook op Vlieland, waar hij sinds 1999 woont. ‘Ik zal nooit een echte Vlielander worden’, zegt hij. ‘Maar ik voel me wel een eilander.’ Sterker nog: hij is benoemd tot eilandschilder.

Of je kunt aarden op een eiland ligt voor een groot deel aan jezelf, zegt hij. En hoe je aanmeert. Niet meteen de mond open en zeggen hoe het beter kan. Dat is het laatste dat je moet doen: anderen vertellen hoe ze hun leven moeten leiden en zich horen te gedragen. Op Vlieland mag je zo gek doen als je wilt. Zet een vreemde hoed op. Wees wild. Maar doe het vol overtuiging. En bemoei je vooral niet met anderen. Toorn nooit aan de eilandse eigengereidheid.

Michael werkt bij de buitendienst van de gemeente Vlieland, ook grafdelven hoort daarbij. Daarin krijgt hij regelmatig te maken met de dood. ‘Daar heb ik het soms wel moeilijk mee’, zegt hij, ‘maar het is ook wel weer mooi.’ Door zijn werk bij de gemeente is de druk om te moeten schilderen minder groot. En dat heeft hij nodig, hij wil op zijn gemak kunnen werken, zoals de natuur ook nooit haast heeft.

Druk is niet aan hem besteed, geld is niet belangrijk. Veel belangrijker vindt hij dat mensen blij zijn met zijn schilderijen. Zoals het stel dat laatst zat te dubben om een werk van hem te kopen. ‘Vooral de vrouw vond het prachtig’, vertelt hij. Ze werd door zijn werk geraakt. Toen de koop doorging, was ook hij in tranen. Zo blij was hij voor haar.

Zijn gevoelswereld is net zo gekleurd al zijn werk.

Hij heeft tijd. Rust. Hij hoeft niet veel te hebben, maar heeft eigenlijk alles. De schilder kan eindeloos rondstruinen op de uitgestrekte Vliehors. Op blote voeten. En wandelen heeft hij veel moeten doen, toen hij een paar jaar geleden bij zijn vrouw wegging. ‘Om deze moeilijke tijd door te komen, was wandelen broodnodig.’

Hij moest dwars door de leegte lopen.

Michael heeft veel algemene kennis. Over hoe het Wad vroeger was. Over de aanleg van de Afsluitdijk en hoe die de stromingen verstoorde, de geulen onstuimig maakte en hoe de zee nog altijd op zoek is naar haar weg. Hoe de natuur probeert haar balans te herstellen en hoe wij als mens dat weer tegenwerken. ‘De natuur wil hier verbossen, maar dat willen we niet.’ Door de natuur tegen te werken, werken we eigenlijk onszelf tegen.

‘De postkoets ging hier in het verleden over het Wad naar het Posthuys’, zegt hij. Sinds de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 rees de zeespiegel geleidelijk. ‘Er is circa een meter water bijgekomen aan de zuidkant van Vlieland.’

Hij zegt: we moeten veel meer met de natuur gaan samenwerken. De zeegrasvelden terugbrengen, bijvoorbeeld. Zoals die er ook waren voor de aanleg van de Afsluitdijk om het sediment vast te houden.

Want net als Michael is ook de Waddenzee altijd in beweging. Geen wortels, maar overal thuis.

De Waddenzee verdrinkt. Hoe kijken kustbewoners naar de zee? Vrezen ze de stijging van de zeespiegel of laat die hen onberoerd? Carlien Bootsma liep in een aantal weken de Waddenzee rond en schrijft daar een serie verhalen over. De kustbewoners die haar pad kruisten, vertellen wekelijks hun verhaal op onze website.

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten (www.fondsbjp.nl).

In april blikt Carlien Bootsma terug op haar wandelingen langs het Wad in een essay in het tijdschrift Noorderbreedte.