Ik ben Joost de Ruiter (23). Overdag werk ik als tekstschrijver, maar ’s avonds sta ik regelmatig op de planken: ik ben amateuracteur. In mijn theater – het Shakespearetheater in Diever – zitten de zalen iedere zomer vol. Voor mij is toneelspelen de normaalste zaak van de wereld, maar hoe meer ik me verdiep in het amateurtheater van Noord-Nederland, hoe meer me opvalt hoe bijzonder de cultuur is. Ik neem je daarom graag mee in mijn onderzoek naar deze traditie. Mijn eerste aflevering – over de rederijkerskamers van Groningen – vind je hier. In mijn tweede aflevering – over de openluchttheaters van Drenthe – onderzocht ik de identiteit van de amateuracteur, die aflevering vind je hier. In mijn derde artikel neem ik het Friese theater onder de loep, dat vindt vaak buiten de schouwburg plaats. Soms uit praktische overwegingen, soms vanwege de bijzondere mogelijkheden van een plaats.

Van preekstoel naar podium

In Friesland zijn er drie dorpen met de naam Nes. Op een snikhete zomerdag ben ik het meest afgelegen dorp binnengereden, helemaal in het noordoostelijke puntje van de provincie. Voor de grote kerk van het dorp – gebouwd naar Rotterdamse architectuur, zo begrijp ik – staat Anke Bijlsma me in een groene jurk op te wachten, de deur van haar theaterkerk staat wagenwijd open. “Het einde van de wereld hier, hè”, merk ik bijdehand op. “Dat is slechts een kwestie van perspectief,” verbetert Bijlsma me. “Ik zie het als het begin van de wereld.”
Bijlsma is al decennialang professioneel actrice en regisseuse en kent daardoor ieder theater van Friesland als haar broekzak. Als ze er niet heeft opgetreden, heeft ze er wel een stuk op de planken gezet. Maar ze is ook ondernemer, en toen ze een jaar geleden de kans kreeg om de kerk van Nes te kopen, hoefde ze daar niet lang over na te denken. Ze kocht hem – in goed overleg met de bewoners van het dorp – en vestigde er haar theaterkerk. De preekstoel moest plaatsmaken voor een podium, van het lokaal achterin de kerk maakte ze een foyer. Ze beschilderde er zelf het plafond, bezoekers noemen de ruimte soms de Sixtijnse kapel van Nes. Zelf beschrijft Bijlsma – haar tongval verraadt dat ze Friezin is – haar kerk als sober aan de buitenkant maar warm vanbinnen. “Je stapt hier de magische wereld van het theater in.”

De provincie Friesland is dolblij met ondernemers als Bijlsma. Ze zorgen ervoor dat de door secularisering leeggelopen kerken – en daar hebben de Friezen er nogal wat van –onderhouden worden. Toch opende Bijlsma haar theaterkerk in de eerste plaats met de 375 inwoners van Nes in haar gedachten.
Bijlsma groeide op in de buurt van het dorp en woont tegenwoordig weer in de regio, haar hart ligt in het Noordoosten van Friesland. Ze wil er koste wat kost de krimp tegengaan. Die drang komt onder andere voort uit een moederlijk instinct, vertelt ze. “Ik wil mijn kinderen graag de gelegenheid bieden om hier te blijven wonen, maar dan moeten er wel dingen te doen zijn. Ik heb niet de illusie dat alleen mijn theaterkerk de krimp tegengaat, maar een culturele hub als de mijne – in de kerk worden bijvoorbeeld ook workshops en concerten gegeven – is wel nodig voor een regio om interessant te blijven als woonplaats.”
Daarnaast helpen initiatieven als de theaterkerk van Nes volgens Bijlsma Noordoost-Friesland aantrekkelijk te maken voor toeristen. Die kunnen vervolgens weer voor werkgelegenheid zorgen in de regio. “We zitten hier direct aan de Waddenzee, dat is een UNESCO Werelderfgoed. Waddeneilanden als Ameland en Schiermonnikoog kunnen de vakantiegangers eigenlijk niet goed meer aan, het wordt er te druk. Het gebied aan de vaste wal van de Waddenzee zou voor hen een uitstekend alternatief kunnen zijn. Maar dan geldt opnieuw: er moeten wel dingen te doen zijn. Een avondje naar het theater in een kerk, bijvoorbeeld.”
In de manier waarop Bijlsma over haar project praat, valt me op dat ze toneelspelen in een kerk vanzelfsprekend vindt. Ze vertelt dat er op dit moment een stuk geschreven wordt dat exclusief in haar theaterkerk wordt opgevoerd, maar in dat stuk – het zal over Noordoost-Friesland gaan – wordt de kerk in ieder geval niet als zodanig in de voorstelling gebruikt. Eigenlijk ziet Bijlsma haar kerk als een gewone schouwburg. “In de kerk zit het publiek wat dichterbij dan in een theaterzaal,” vertelt ze. “Verder is er niet zoveel verschil.”

Theater op locatie is geen locatietheater

De gemiddelde Fries zal het met Bijlsma eens zijn, begrijp ik uit de woorden van Pieter Stellingwerf. Hij is medeoprichter van locatietheatergroep BUOG, die in Leeuwarden is gehuisvest.  “Friesland heeft een eeuwenoude theatertraditie,” vertelt hij. “Ieder zichzelf respecterend dorp heeft een toneelvereniging, op gegeven moment kregen sommige van die verenigingen te veel ambitie om nog in het lokale buurthuis te spelen. Ze moesten op zoek naar andere plekken.”
De openluchttheatercultuur – die in Friesland zo mogelijk nog levendiger is dan in Drenthe – is erdoor te verklaren: amateuracteurs trokken van het dorpshuis naar het platteland en richtten daar tribunes op. Maar het zorgt er ook voor dat een Fries niet gek opkijkt van een theater in een kerk. Men wil gewoon ergens acteren of naar toneel kijken, maakt niet uit waar. “Dat fenomeen, theater buiten het theater, noemen we theater op locatie,” verduidelijkt Stellingwerf.

Dat is iets heel anders dan locatietheater, de theatervorm waar hij zichzelf mee bezighoudt. “Daarbij schrijf je een stuk dat alleen op die plek gespeeld kan worden, die plek is de bühne en zorgt tevens vaak voor input van het verhaal.  Het kan bijvoorbeeld in een weiland.” Maar Stellingwerf maakte ook stukken op onder andere plekken, een sluis, een nieuw te openen aquaduct en zelfs de TT-baan in Assen.
Stellingwerf begon al met locatietheater tijdens zijn studie aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht, hij vond het interessanter dan gewoon toneel. “Locatietheater biedt meer mogelijkheden, je kunt veel meer uitpakken. Op het TT-circuit lieten we historische motoren dwars door de voorstelling racen, dat kun je in een schouwburg niet doen.”
Tegelijkertijd moet je oppassen met te veel spektakel, geeft Stellingwerf toe. “We maakte eens een voorstelling op de Afsluitdijk, dat speelveld was simpelweg te groot. Het was een mooi schouwspel en een fantastische beleving, maar het verhaal bleef niet overeind.” Stellingwerf trok er lessen uit. “Je houdt het publiek geïnteresseerd door weinig personages te gebruiken, vier is al aan de ruime kant. En je moet de emotie opzoeken; het verhaal moet herkenbaar zijn voor toeschouwers. Daarna kan je er veel bombarie in gooien.”
Stellingwerf doet zijn verhaal op de bovenste verdieping van een gebouw dat hij zelf – met een beetje hulp van andere professionals – ontwierp. Het laat zicht het best beschrijven als de Pyramide van Gizeh maar dan omgekeerd. Letterlijk. De punt staat op de grond, de bodem hangt in de lucht. En in plaats van in Egypte, staat het gebouw in Zuidwest-Friesland, we hebben een werkelijk adembenemend uitzicht over uitgestrekte weilanden en het IJsselmeer.
Dat landschap is niet alleen mooi om naar te kijken, maar het is ook een van de drie redenen die Stellingwerf noemt voor het succes van locatietheater in de provincie. “Het weidse landschap hier inspireert en het biedt mogelijkheden. En er is ruimte zat. Niemand zal zeuren over not in my backyard.”
Ten tweede, zo vindt Stellingwerf, heb je bij de totstandkoming van een locatietheatervoorstelling de medewerking nodig van de omgeving, nog veel meer dan bij een uitvoering in een dorpshuis. In Friesland kent het gemeenschapsgevoel geen grenzen, niet voor niets passeerde ten tijde van de Culturele Hoofdstad in Leeuwarden het woord mienskip te pas en te onpas de revue. Stellingwerf: “Het is daardoor gewoon makkelijker om hier een locatietheaterproject van de grond te krijgen. Misschien heb je een aggregaat nodig, of een trekker of zo. Er is dan altijd wel een kennis van een kennis van iemand uit het dorp die daarvoor kan zorgen.”
Tot slot, suggereert Stellingwerf, waren de Friezen misschien wel toe aan iets nieuws. Ze zijn trots op hun eeuwenoude theatertraditie, maar hebben ook de behoefte om nieuwe dingen te proberen. Locatietheater kon op die manier populair worden.

Geen overname

Ik vind vooral de laatste observatie die Stellingwerf doet interessant: in Friesland speelt men al zo lang toneel dat er behoefte is aan vernieuwing. Ik vraag me af of dat betekent dat de Friezen hun theaters langzaam maar zeker afbreken en verder gaan in kerken en in het weiland. Mijn hypothese leg ik voor aan Hans Brans, hij is een veteraan in de Friese theaterwereld. Van 1991 tot 2016 was hij theateradviseur bij de Provincie Friesland, daarnaast bezocht hij als recensent van de Leeuwarder Courant talloze voorstellingen in de regio.
Zijn antwoord is simpel: Nee. “Locatietheater is slechts een vorm van theater, net als bij alle andere kunsttradities veranderen vormen continu.” En dat is ook helemaal niet erg, vindt Brans. “In aanloop naar de Culturele Hoofdstad Leeuwarden is het locatietheater in Friesland geëxplodeerd. Soms, als ik weer zo’n voorstelling heb gerecenseerd, vraag ik me af of we niet alsjeblieft weer terug kunnen naar normaal toneel. Locatietheater voegt niet altijd evenveel toe.”
Dat locatietheater het gewone theater niet gaat vervangen, heeft ook een sociale grondslag, beargumenteert Brans. “Bij locatietheater moet je iedere keer iets nieuws verzinnen, je begint steeds bij het begin. Initiatiefnemers moeten op zoek naar bijvoorbeeld acteurs en vrijwilligers en steeds opnieuw gelden los zien te weken. Daar zit een plafond aan.”
Alhoewel Brans dus niet gelooft in een overname, weet hij wel dat er deuren geopend zijn voor locatietheater. “En als de overheid wel zo nu en dan in wil springen, en er ook na de Culturele Hoofdstad geld beschikbaar blijft, heeft het ook zeker een toekomst. Maar theater zal altijd in de eerste plaats in het theater blijven.”
Volgende maand blik ik terug op mijn reis langs de theaters van Groningen, Drenthe en Friesland. Ik probeer antwoorden te formuleren op vragen als: waar komt ons theater vandaan? En: waar gaat het naartoe? Daarbij word ik geholpen door theaterexperts uit de regio.

 

Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en de Lira Startsubsidie voor Jonge Journalisten (www.fondsbjp.nl).