Zet in op gezondheid in plaats van zorg

Ooit iemand met zware obesitas op zo’n mooie houten crosstrainer in een beweegtuin zien staan? We moeten nu eindelijk echt serieus aan een gezonde leefomgeving gaan werken, stelt Peter-Michiel Schaap. De prijsvraag WHO CARES stemt hoopvol.

TEKST
Peter Michiel Schaap

Gezondheid als onderdeel van het ruimtelijk beleid? Nee, dat doen we eigenlijk niet… Het thema was nog nieuw, toen in 2012 ‘Ruimte voor gezondheid’ plaatsvond in het Universitair Medisch Centrum Groningen. Het congres vroeg aandacht voor de relatie tussen gezondheid en de kwaliteit van onze leefomgeving. De organisatoren moesten hun best doen om ontwerpers te overtuigen van hun potentiële rol en meerwaarde bij gezondheidsvraagstukken. Andersom moest ‘de wereld van zorg en gezondheid’ overtuigd worden van de meerwaarde van architecten, stedenbouwers en landschapsarchitecten. Ook voor veel gemeenten was het onontgonnen terrein. Natuurlijk was hier en daar wel iemand bezig met goedbedoelde initiatieven. Maar die bleven toch vaak steken in beweegtuinen met houten hufterproof crosstrainers en verwijzingen naar de veelvuldig gekopieerde Piano Stairs in Stockholm: een interactieve installatie die gebruikers van metrohalte Odenplan verleidde om de trap te nemen in plaats van de roltrap. Saillant detail: de stairs kwamen voort uit de Fun Theory, een initiatief van Volkswagen. Maar dat terzijde.

Achteraf gezien is het best vreemd dat de organisatoren van Ruimte voor Gezondheid zoveel moeite hadden om ontwerpers te verbinden met opgaven op het vlak van de volksgezondheid – en andersom. Echt nieuw was (en is) de thematiek namelijk niet. Totaal niet zelfs. Een duik in de geschiedenis van onze steden leert dat ruimte en gezondheid al tijden nauw met elkaar verbonden zijn. Zo bonden de negentiende-eeuwse hygiënisten de strijd aan met de ongezonde facetten van de stad. Cholera, tyfus en moeraskoorts (malaria) waren de vijanden. De (moderne) stedenbouw was het wapen. Het antwoord lag in binnenterreinen opschonen, licht en lucht brengen, en riolering en waterleiding aanleggen. Dit geschiedde vaak integraal. Zorg voor gezondheid ging samen met oplossingen op het vlak van verkeer en infrastructuur.

Ondertussen groeide de aandacht voor groen. Parken zouden niet alleen ten goede komen aan de lichamelijke, maar ook aan de geestelijke gezondheid. En laten we ook de volkshuisvesting niet vergeten. Illustratief is de Woningwet van 1901, die vol zit met verwijzingen naar gezondheid.

Probleem weg?

Hoe kan het dat ontwerpers gezondheidsvraagtukken uit het oog verloren zijn? Hoe kan het dat zowel zorg en gezondheidsdisciplines als architecten, stedenbouwers en landschapsarchitecten herinnerd moesten worden aan hun gezamenlijke wortels? Substantieel onderzoek daarnaar ontbreekt. Maar waarschijnlijk ligt de reden voor de hand: we hadden de problemen opgelost. We kregen geen cholera en tyfus meer. En malaria, dat is toch iets voor tropische landen?

De laatste tijd zien we tegen de achtergrond van de toenemende vergrijzing en nieuwe ‘uitdagingen’ het licht weer. Zorg en gezondheid zijn een hot item. Luchtkwaliteit, groen, geluid en in toenemende mate ook het (stads)klimaat krijgen aandacht. Tegenwoordig doen we dat natuurlijk niet meer om cholera, tyfus en malaria het hoofd te bieden. Nee, de vergrijzing en veranderingen in de manier waarop wij onze zorg verlenen, spelen een hoofdrol in het discours. Daarbij denken we na over nieuwe epidemieën in relatie tot de leefomgeving; epidemieën die veelal samenhangen met onze westerse (ongezonde) leefstijl: diabetes, hart- en vaatziekten, obesitas en metaboolsyndroom (een combinatie van hoge bloeddruk, te veel bloedvetten, te laag HDL-cholesterol en een verhoogde nuchtere bloedsuikerspiegel).

De groeiende aandacht voor een gezonde leefomgeving uit zich in talloze initiatieven op het vlak van ruimte, zorg en gezondheid. Gemeenten ontwikkelen beleid. En vanuit het ontwerp is sprake van blijvende agendering dankzij initiatieven als de ontwerpprijsvraag WHO CARES van Rijksbouwmeester Floris Alkemade. Toch kan het allemaal nog veel beter: we slagen er nog maar moeilijk in om alle kennis en kunde te vertalen naar de praktijk. We praten veel. We onderzoeken veel. We stimuleren veel. Er staat veel op papier. Maar echt aan de slag? Nee, dat doen we nog onvoldoende.

Verder valt op dat de nadruk op veel plekken nog ligt op zorg en niet op gezondheid. Neem weer WHO CARES, dat zich concentreert op nieuwe vormen van wonen, zorg en ondersteuning. De Groninger Oosterparkwijk was een van de locaties waarop de inzenders konden studeren, naast wijken in Almere, Rotterdam en Sittard-Geleen. En wie een zorgvraag stelt, krijg natuurlijk ook een zorggekleurd antwoord terug. Zo komt het prijswinnende voorstel Care2Share met een oplossing die het oudere mensen in de Oosterparkwijk mogelijk maakt om langer thuis te blijven wonen. Ook de runner up in Groningen, Michi-Noeki genaamd, heeft een duidelijke ‘zorgdoelgroep’. In dit geval gaat het om de alleenstaande vijftig-plusser – een grote groep in de Oosterparkwijk – die weinig buitenkomt en voor wie sociaal contact geen vanzelfsprekendheid is.

Gelukkig gebruiken beide plannen ‘zorg’ als aanleiding om verder te kijken. Zo creëert Care2Share ook betaalbare woningen voor nieuwe bewoners in de Oosterparkwijk. Zij kunnen een plek vinden in de onbenutte woonruimte van een zorgbehoevende en over en weer zorgen ze voor elkaar. Verder introduceert Care2Share een leefabonnement waarmee bewoners van de Oosterparkwijk, ondersteund en geadviseerd door een leefconsulent, de regie over hun situatie en kwaliteit van leven kunnen nemen. En als klap op de vuurpijl wil de plannenmakers leegstaande gebouwen herbestemmen tot plekken voor ontmoeting en verbinding. Daarbij moet natuurlijk ook de openbare ruimte aangepakt. Maak die autoluw en aantrekkelijk om in te verblijven en te bewegen, stelt Care2Share, en dan niet alleen voor ouderen maar voor iedereen.

Impressie van Nohnik: Care2Share, Oosterparkwijk

Ook Michi-Noeki zet – naar Japans voorbeeld – sterk in op de verbinding, letterlijk en figuurlijk. De bedenkers van het plan zien op vier strategische locaties in de wijk laagdrempelige rustplekken voor zich, op een loopafstand van maximaal vierhonderd meter van elkaar. Op deze ongedwongen rustplekken – met toilet – kun je buurten of een pakketje ophalen. ‘In de laagdrempeligheid en praktische invulling schuilt de kracht van de Michi-Noeki, die de zelfredzaamheid van mensen op een bescheiden, maar fundamentele manier ondersteunt. Iedereen is welkom, er is altijd wel iemand om hallo tegen te zeggen, en als het daarbij blijft is het ook prima’, zo staat in het plan.

Mensenschuw

Natuurlijk valt op beide plannen wel wat aan te merken. Zo laat veel sociale (gezondheids)problematiek zich natuurlijk niet alleen oplossen door goede openbare ruimte en fijne ontmoetingsplekken. Iemand die zich al jaren mensenschuw terugtrekt achter de geraniums rent echt niet ineens enthousiast de deur uit na opening van een Michi-Noeki. Daar is meer voor nodig. Ook is het nog maar de vraag of een zorgbehoevende woonruimte kan (en wil) afstaan aan nieuwe bewoners. Voorts steunen beide plannen sterk op sociale cohesie en de wens om onderling meer voor elkaar te gaan zorgen. Het is een prachtig ideaal maar of het ook zo zal werken, zeker structureel, is nog maar zeer de vraag.

Impressie van Vollmer & Partners: Michi-Noeki, verbinden en verblijven

Toch zit er een duidelijke winst in de WHO CARES-plannen: een winst die wellicht nog groter had kunnen zijn wanneer de focus niet op zorg maar meteen op gezondheid had gelegen. Ofwel: op de uitdaging om onze leefomgeving als geheel gezonder te houden, voor alle leeftijdsgroepen en voor zorgbehoeftigen en niet-zorgbehoeftigen. Desondanks laten beide plannen nu al zien dat gezondheid via de leefomgeving stimuleren geen kwestie is van een geinige pianotrap of een houten crosstrainer in het park. De impact is laag en je maakt gezondheid ermee tot een gimmick. Zo wordt een ‘speelplaats voor volwassenen’ in 99 van de 100 gevallen alleen maar gebruikt door mensen die al spieren hebben. Ooit iemand met zware obesitas op zo’n mooie houten crosstrainer in een beweegtuin zien staan? Nee, natuurlijk niet. Echte oplossingen zijn integraal van aard. Gezondheid wordt daarbij evenwichtig meegenomen, samen met al die andere opgaven waar we in onze steden, wijken, buurten en dorpen mee te maken hebben.

En juist in dat integrale zit nog een winstpunt van WHO CARES. De plannen – zeker niet alleen van de winnaar(s) in Groningen – zijn het resultaat van interdisciplinaire samenwerking. Zo zaten er in het team van Care2Share twee landschapsarchitecten, een gezondheidswetenschapper, een bewegingswetenschapper en twee planeconomen. Michi-Noeki ‘deed’ het met stedenbouwers, landschapsontwerpers, een zorgadviseur, social designers, financieel specialisten en een betrokken buurtbewoner. Juist ontwerpkracht aan (specialistische) kennis verbinden biedt ontzettend veel kansen. Overigens blijft ook hier nog een wereld te winnen. Want al zoeken ontwerpers, wetenschappers en beleidsmakers elkaar steeds vaker op: een vanzelfsprekendheid is het nog niet. Ze komen samen als onderdeel van een open oproep of een prijsvraag. Maar in de ‘gewone wereld’ zitten ze nog allemaal in hun eigen hok. Daardoor kan het gebeuren dat relevante kennis van bewegingswetenschappers, omgevingspsychologen, GGD-artsen en gezondheidswetenschappers niet vanzelfsprekend doorwerkt naar de beleids- en ontwerppraktijk, laat staan naar tastbare gerealiseerde plannen.

Vandaar mijn oproep: leg de focus op gezondheid in plaats van zorg. Hou op met praten en stimuleren en ga daadwerkelijk aan de slag met gezondheid. Koppel gezondheidskennis aan ontwerpkracht en werk samen aan concrete opgaven in stad en land. Alleen zo kunnen we onze leefomgeving echt gezond maken: integraal en vol kwaliteit.

Peter Michiel Schaap studeerde Kunst en Kunstbeleid en Kunst- en Architectuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en is coördinator van Platform Gras