Werk op het wad

Op de grens van land en water – Een zoektocht naar de geschiedenis van de Fa. H. de Groot & Zn.

TEKST
Pauline de Groot en Sijas de Groot

In vier artikelen onderzoeken Sijas en Pauline de Groot (neef en nicht), aan de hand van de geschiedenis van het bedrijf Fa. H. de Groot & Zn., de verbinding tussen landschap en identiteit. Hun overgrootvader Herke heeft het bedrijf begin 20e eeuw opgericht in Harlingen. Hoewel Sijas en Pauline zelf in andere steden van Nederland opgroeiden, voelen zij zich verbonden met het noordelijke landschap, de zee, de Waddeneilanden en de Friese havenstad.

Als kinderen hoorden Pauline en Sijas de verhalen van hun familie tijdens de wandelingen door Harlingen. Gebouwen en sluizen werden aangewezen: ‘Dit heeft je opa Rimke gemaakt samen met zijn broer Klaas’ en ‘Hier moest ik helpen spijkers rapen’. Tijdens deze wandelingen werden Harlingen en deze bijzondere bouwwerken daardoor ook van hen, de kleinkinderen.

Lees hier aflevering 1: De Firma

In de jaren ‘60 van de vorige eeuw was Firma H.de Groot en Zn. een bedrijf met ongeveer veertig medewerkers. Ze hadden twee drijvende heistellingen, diverse werkschuiten en een duikbedrijf. Herke en Piet, de zonen van Klaas gingen in het bedrijf werken. Ze brachten door hun scholing nieuwe kennis en expertise binnen op het gebied van boekhoudkunde, administratie en bedrijfsvoering.

Rimke en Klaas waren altijd aanwezig op de bouwlocaties. De Firma heeft onder andere opdracht gekregen een aantal kapen te maken en te plaatsen op de Wadden; op de Engelsmanplaat, Schiermonnikoog, de Richel en ‘t Griend.

Een zeekaap is een baken voor de scheepvaart en een markant herkenningspunt in het landschap, waarvan het gebruik honderden jaren teruggaat. Een kaap wordt gebouwd op zandplaten, het uiteinde van een pier of dam of boven op een duintop. Het doel is navigatie voor de scheepvaart, wat vroeger gebeurde met behulp van met behulp van driehoeksmeting.  Dit is een meetmethode waarbij gebruik gemaakt wordt van het feit dat een driehoek volledig bepaald is als één zijde (de basis) en de aanliggende hoeken bekend zijn. Schepen kunnen door het zien van de kaap en hun eigen positie op zee deze meting toepassen en zo weten waar ze zijn. Bij sommige kapen werden ook drenkelingenhuisjes gebouwd zodat scheepvaarders konden schuilen in geval van nood.

Het werk van de firma stond in dienst van de gemeenschap en had direct invloed op het welzijn van anderen; schippers, vissers, passagiers. Anno 2019 staan niet meer alle kapen overeind. Sijas en Pauline gaan ieder voor zich op zoek naar wat er nog aanwezig is van het werk van de firma op het wad.

 

Bouwtekening van een kaap

19 april 2019, overtocht naar Vlieland door Sijas

Vanuit de terminal loop ik via de aanlegbrug  de boot op. Met mijn ouders en zus Akke ga ik naar Vlieland om de tent op te zetten voor dit seizoen. “Als we vroeger op vakantie gingen hield pa Rimke de grote plunjezak van de Waard-tent op z’n linkerschouder en de tentstokken in z’n rechterhand” vertelt mijn vader.‘En deze aanlegsteiger komt van de hand van de Firma’. Ik sta even stil. Ik heb me dat nooit eerder gerealiseerd. “Deze brug is een beetje van mij”, denk ik en we gaan aan boord.

Van achter op het dek kijk ik uit over de haven met daarachter de Waddenzee. Voor mij, aan de reling, wappert een Nederlandse vlag. De zon schijnt en het is nog fris. Ik kijk naar de haven en haar schepen, een grote kraan en de Zuiderpier. Dit uitzicht is mij over bekend, maar dan opeens verandert er iets, op een vreemde doch vertrouwde manier komt het uitzicht op de Friese havenplaats anders bij mijn binnen. De normaalste elementen van dit beeld krijgen opeens mijn volledige aandacht: Kennis en herinneringen die ik voor het schrijven van deze artikelen heb opgedaan worden in het mij bekende uitzicht vastgelegd. Het is alsof de omgeving zich opnieuw in mijn geheugen wil vastleggen. Ik krijg kippenvel. Mijn vader zit links van me en mijn moeder rechts. Mijn zusje hangt over de reling van de boot en wijst naar een lange lijn basaltblokken in het water. We varen uit, het uitzicht is helder en in de verte zie ik Vlieland en Terschelling liggen

Door het Kimstergat vaart de boot langs de Pollendam. Een stenen stroomgeleidingsdam die de vaargeul sinds de 19e eeuw op diepte houdt. Op een veilige afstand van 30 meter varen we er langs. De verzonken uiteinden van de Pollendam – het zogenaamde ‘blinde werk’ – liggen onder water. We turen over zee. De dam wordt enkel gemarkeerd met een aantal lichtopstanden, met daarop lichtbakens om de vaarweg tussenHarlingen en de eilanden te markeren.

Eerder die ochtend las ik voor mijn vertrek nog een keer een contract dat door Fa. H. de Groot & Zn. werd ondertekend op 29 Augustus 1951 en overeenkomst voor het uitvoeren van hei- en timmerwerken aan de haven- en zeewerken te Harlingen en op de Pollendam. “Op nader aan te wijzen plaatsen moet een onderbouw gemaakt worden voor de lichtopstanden op deze dam. Dit onderbouw bestaat uit 4 groenhart houten lange palen, die tegen elkaar tot een blok bevestigd moeten worden met moerbouten.’ De onderkant van deze palen wordt verankerd in een groot betonblok, dit betonblok krijgt zijn plek tussen het basalt op de dam. 68 jaar eerder, in het najaar van 1951, is hier 30 meter vóór mij, door de Frima in het koude water gewerkt.Wat is er van deze gebeurtenis nog zichtbaar?

Ik stel het me voor: in het water 2 pontons waarop een hijskraan en een schaftlokaal met daarvóór een sleepboot. Het waait zilte zeelucht en een zestal mannen in blauwe overalls aan boord van de pontons zijn aan het werk. Bezaagd eikenhout, tropisch hardhout, een groot betonnen blok en ijzer. Het moet laag water zijn geweest zijn, want de klus moest in één tij geklaard worden.

Ik kijk in de verte, het enige wat ik voor me zie is water. De haven wordt kleiner en het eiland komt dichterbij. “Bijna thuis,” denk ik.

Rechts van mij ‘t Griend. Ik ken het uitzicht op het eiland niet anders dan met de vogelwachterswoning en een kaap aan de horizon. In 1855 kwamen hier drie kapen te staan. In anderhalve eeuw zijn er vanwege het wandelen van het eiland veel kapen vervangen. De huidige elf meter hoge opvolger van de Oostkaap werd door de Firma in 1963 gebouwd, voor 7500 gulden. Voordat we het Vlie opvaren, de Richel aan de linkerkant. Er liggen zeehonden. De boot begint te schommelen, we varen de Noordzee op. Over een paar minuten zal ik het grote bord bij de jachthaven zien staan: ‘Vlieland groet u.’

16 mei 2019 overtocht naar Terschelling door Pauline

Ik zoek een zitplaats bij het raam aan boord van de MS Friesland. Ik ga in mijn eentje naar Terschelling. Ik ben jaren niet op het eiland geweest. t, nu ga ik terug naar de plek waar mijn opa gewerkt heeft, en ik in mijn jeugd op vakantie ging.
‘Kijk Pauline, dat is de Pollendam’. Staand aan de reling op het dek wijst mijn vader mij plekken aan in de Waddenzee op de vaarroute tussen Harlingen en Terschelling.

Ik ben zes jaar oud en houd me stevig vast aan de reling. Ik draag witte kaplaarzen en ik heb de capuchon op van mijn stroeve oranje regenjas. De waterdruppels spatten soms zo hoog op, dat ik er metershoog boven de golven nat van word. De kracht van de wind. De warme stem van mijn vader klinkt er bovenuit. Ik voel zijn lichaam naast mij. Hij geniet, al heeft hij de oversteek al honderd keer gemaakt.

Wij kijken iedere keer naar hetzelfde: de lucht, de zon, de wolken en de wind. Maar we zien het iedere keer anders.
Ik kijk naar het spoor dat de boot achterlaat in de zee. Het schuim krioelt op de golven, roepende meeuwen vliegen rond tussen de ruimte van  het water en de boot.

‘Daar is het Griend’. Ik hoor het mijn nog vader zeggen. Daar kan je zeehonden zien liggen weet ik, net als op de Richel waar we later langsvaren. ‘En daar ligt Vlieland’. Ik neem de plekken opnieuw in mij op zoals een kind dat doet: zonder twijfel en vol vertrouwen de feiten aanvaardend. Eerst als namen en beelden om te onthouden, om later te ontdekken dat ze onderdeel zijn geworden van mijn identiteit.

Herke, de vader van Pauline, samen met twee medewerkers bij de kaap op de Richel.

Kijken en erover vertellen, het zit me in de genen.
Ik ben opgegroeid tussen het groen van de weilanden en het bos bij een dorp in de buurt van Utrecht. Veel zomervakanties bracht ik door met mijn ouders en broer op Terschelling. Mijn vriendinnetjes gingen met de auto en een caravan naar Frankrijk. Wij gingen met een rode en een donkerblauwe koffer, twee sporttassen en een geel en een oranje rugzakje met de trein naar Harlingen. Daar logeerden we een nacht bij mijn opa, om de dag daarna de oversteek te maken naar het eiland.

Opa Rimke bracht ons naar de boot. We liepen met elkaar en de bagage door Harlingen tot aan de haven waar de boot vertrok. Opa droeg de rode koffer van mijn moeder op zijn hoofd. Een vrolijk uitzwaaien volgde tot de boot de haven uitvoer.
Ik zie het strakke, rechte spoor dat de boot door de zee trekt en de kleine of grote bewegingen van de golven. Dit hoort bij mij. De kleuren grijs, blauw en wit; licht of donker, of er tussenin. De waarde en betekenis van deze kleuren, bewegingen en vormen liggen voor mij besloten in deze ervaringen uit mijn jeugd. De vakantieherinneringen komen naar boven bij het ruiken van de zilte geur van het wad, het plukken van het lamsoor, bij het horen van woorden als slenken, kwelders en basalt.
We varen langs de Richel. Mijn vader heeft verteld dat hij ooit op deze zandplaat in een klein tentje heeft moeten slapen. In 1964 was hij 20 jaar, en als zoon van de baas hielp hij mee met de bouw van de kaap op de Richel, samen met twee medewerkers van de Firma. Ze moesten er overnachten en Herke sliep slecht van de angst voor het opkomende water. Het opbouwen van de kaap ging volledig handmatig. Deze werd door de mannen met touwen overeind getrokken.
De palen van de kaap moesten diep de grond in, maar het lukte de mannen niet om zo diep te komen als nodig is. De mannen spraken af dit niet te zeggen tegen de bazen Rim en Klaas bij terugkomst in Harlingen. Mijn vader voelde zich verantwoordelijk, hij is immers zoon van. Tijdens de bouw had hij niet de moed  de mannen aan te spreken en de leiding te nemen om het werk af te ronden zoals het zou moeten. De kaap heeft het niet gehouden en is na een paar maanden omgegaan.
De boot begint te schommelen. ‘Een stukje Noordzee’ zei mijn vader dan altijd. Het benoemen van een zandplaat, een stuk strand of een eiland betekende voor hem meer dan de de topografische naam, weet ik nu ik ouder ben.  Als hij de plekken aanwees vertelde hij over zijn jeugd, de bouwwerken waaraan hij had meegewerkt, een omgevallen kaap, de rol van een oudste zoon en het vakmanschap van mijn opa.

Op ‘t Wad liggen die verhalen en de geschiedenis van mijn familie. Soms gezonken, soms zichtbaar.

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
€42,50