In de canon van het Hollandse waterlandschap hoort, naast de rivier, het meer en het kanaal, ook het dorpsijsbaantje. Deze tijdelijke seizoensplas ligt aan de rand van het dorp of ergens afgelegen in de polder, wachtend op schaatsbaar ijs. We gingen op pad om te kijken hoezeer de ondergelopen landjes het winterbeeld van de dorpen bepalen.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw bezong de plezierdichter Drs. P de treurnis van het almaar wachten op de volgende Elfstedentocht met de volgende versregels: Nu ben ik minder onvermoeibaar / Mijn schaatsen zijn verkocht / En dan, het water blijft maar vloeibaar / O, mijn Elfstedentocht

Waar weemoed en verlangen naar de tocht aller tochten speelt bij een hele natie, staan de onbevroren ijsbaantjes symbool voor hetzelfde sentiment bij dorpsbewoners. ‘En dan, het water blijft maar vloeibaar’, een dichtregel die je op het laatst in wanhoop uitroept als na maanden wachten er nog steeds geen ijs ligt. Elke dag kom je langs dat rimpelige water waarin alleen een groep meeuwen ontspannen ronddobbert. Een vogelsoort waar een Fries toch al niks mee heeft. Ergerlijk! Jaarlijks betaalt het hele dorp contributie voor het voortbestaan van de ijsbaan en daarmee voor de instandhouding van hoop en verlangen. Hoop op ijs en verlangen naar wat het ijs met zich meebrengt: dorpse gezelligheid en een gezamenlijk geluksgevoel.

Maar het heeft op de ijsbaan niet altijd om de dorpse pret gedraaid. De wedstrijden op de korte en lange afstanden, zoals we die nu kennen van de kampioenschappen op kunstijs, vonden vroeger plaats op de natuurijsbanen bij de dorpen en steden. Zo valt in de oude bestuursnotulen van IJsvereniging Bedum te lezen dat al in 1875 de leden onderling wedstrijd reden om gebruiksvoorwerpen en slachterkost (spek en bloedworst) voor de arbeiders. Pas vanaf 1904 streden de schaatsers om geld, wat in de crisisjaren van de vorige eeuw werd gewijzigd in nuttige gebruiksprijzen zoals een leeslamp, rooktafel, luciferstandertje, bijzettafeltje, koffer, fruitschaal.

Nijelamer

Tussen Heerenveen en Wolvega ligt aan de Kooiweg de ijsbaan van IJsvereniging Nijelamer. In 2021 bestaat die honderd jaar. De schaatsclub heeft een actief bestuur, dat zich niet al te veel gelegen laat liggen aan ijsloze winters. Het hele jaar door organiseert het sportevenementen: skeelerwedstrijden, prestatielopen en fietstochten. Zodra de vorst serieus gaat heersen, verlegt het bestuur de aandacht naar wedstrijden op de ijsbaan. Al na twee nachten vorst kunnen er kortebaanwedstrijden verreden worden. Vaak de eerste in Friesland. Zodra het ijs tien centimeter dik is, volgen de marathon, de estafette en de toertocht.

De ijsvereniging heeft een opvallend clubhuis. Het is het oude elektrische gemaal dat architect G.K. Bergsma in de toen moderne stijl van het kubisme heeft ontworpen en in 1929 gebouwd voor de polder De Ontginning. Nadat in 1980 het gemaal zijn functie had verloren, kon de vereniging het gebouw voor één gulden overnemen. In 1998 kreeg het de status van rijksmonument. De baan van Nijelamer ligt stoer en tochtig in de kale polder, ver van de dorpen. Wat als eerste opvalt is dat moderne clubhuis. Een volkomen afwijkend beeld van al die schuurtjes die we als gemiddeld clubhuis van andere ijsverenigingen kennen.

Deinum en Tzum

Soms liggen die andere ijsbanen ook minder ongenaakbaar in de vlakte. Die van de Friese dorpen Deinum en Tzum liggen zelfs in de schoot van het dorp, zo ongeveer tegen de kerk. Het hele dorp kijkt hier een winter lang tegen een dorpselement aan dat moet bevriezen, wat het maar niet doet. Zou dat niet afglijden naar een bewonersdepressie, vroegen we ons af? Misschien dat de schoonheid van de avondspiegeling van het dorp in het water somberheid voorkomt.

Op de gedetailleerde topografische kaart die wij bezitten, staan veel ijsbanen aangegeven. Er valt zo goed te ontdekken welke op de vlakte liggen en welke in de dorpen. Wij waren vooral nieuwsgierig naar de schoonheid van het nog onbevroren water binnen de dorpskom. In die situatie ging het vrijwel altijd om een mooi beeld. Soms was van de kaart een groen veld midden in een dorp af te lezen. We vermoedden dan een leuk ijsbaantje tussen de huizen, maar bij aankomst in het dorp bleek het een kaatsveld te zijn. Ook mooi! Zo hebben de Friezen toch maar leuke sporten die het dorpsbeeld aangenaam verlevendigen.

In het Groninger wierdengebied liggen prachtige ijsbaantjes op de bodem van de afgegraven wierdedelen. Overigens ligt de ijsbaan van Tzum ook op zo’n afgegraven terpzool. De afgegraven wierde-/terpaarde werd begin vorige eeuw verhandeld als vruchtbare delfstof voor arme landbouwgronden. Er werd toen dieper in de zool doorgegraven dan het omliggende maaiveld, waardoor de zolen een hoge grondwaterstand kregen. Het lag dus voor de hand dat veel dorpen hun ijsbaantjes op zo’n natte zool kregen, vaak onder de kerk die hoog boven de schaatsers op de steilrand van de afgraving bleef gespaard. Een idyllisch winterbeeld.

Bosven

Er bestaat nog een ander idyllisch schaatsbeeld: het bosven als ijsbaan. In Drenthe heeft Staatsbosbeheer enkele van deze ijsbanen in zijn natuurgebieden, onder andere bij Sellingen, Veenhuizen en Roden. Die bij Roden is in 2012 door RadioNL uitgeroepen tot de leukste ijsbaan van Nederland. Het is de schaatsbaan van IJsvereniging RAS in Alteveer. RAS staat voor de nederzettingen Roderesch, Alteveer en Steenbergen. Staatsbosbeheer plaatste een informatiebord met de geschiedenis van het schaatsven. De NAM en Dorpsbelangen regelden voor het avondschaatsen tientallen ledlampen.

We begonnen de kleine reeks ijsbanen met de stoere wedstrijdbaan van Nijelamer. We eindigen hem met de troetelbaan van RAS op het ven van Alteveer, waar idylle en romantiek samenvallen. Niet alleen vanwege de natuurrijke ambiance maar evenzeer vanwege het energieke verenigingsbestuur dat sport met cultuur weet te verenigen door af en toe van het bosven een concertpodium te maken voor de bewoners van de drie dorpen. Eén ding hebben we van deze tocht geleerd: niemand wordt depressief van onbevroren water en zeker de leden van het ijsbaanbestuur niet.

 

Dit artikel staat in NB#1 2018