‘Ik had een druk beroep, heel mooi werk, maar soms ging het dag en nacht door. Af en toe moest ik even m’n kop uit laten waaien, dat deed ik door zwerfstenen te verzamelen. Die zijn hier meer dan honderdduizend jaar geleden, tijdens de een na laatste ijstijd, naartoe komen drijven. Op mijn tochten kwam ik ook andere prehistorische dingen tegen, op een gegeven moment zelfs uit vuursteen gehakte werktuigen. Die zijn dus van mensen geweest die hier ooit gewoond hebben, nou, toen was mijn belangstelling gewekt. Ik heb vervolgens verschrikkelijk veel moeite gedaan om mezelf bij te scholen, inmiddels heb ik een bibliotheek van honderden boeken over de archeologie.

In het begin had ik geen idee op welke plekken ik moest zoeken, ik struinde gewoon akkers af. Maar nadat ik me meer in de materie ging verdiepen, kon ik plekken wegstrepen. Nu heb ik een aantal sites waarvan ik weet dat er mooie dingen liggen. We staan hier bijvoorbeeld op wat vroeger een hoge rug was op de rand van het Drents plateau bij Dokkum. De jagers en verzamelaars die hier duizenden jaren geleden woonden, wilden droge voeten houden en dat lukte alleen als ze op dit soort ruggen verbleven. Als je goed kijkt zie je dat het landschap achter mij nog altijd wat afloopt. Hier kan je veel vinden.

Als ik dan echt een mooi speerpunt of zo vindt, dan slaat mijn hart een keer over. Dan heb je iets van een jager die daar heel vroeger heeft geleefd. Waar hij precies op heeft gejaagd weet je natuurlijk niet, maar daardoor kan ik mijn fantasie erin kwijt. Dat maakt het fascinerend. Aan de andere kant: door moderne technologie wordt er steeds meer bekend over onze voorvaderen. We hebben heel lang gedacht dat mensen in de prehistorie domme wezens waren, maar zo langzamerhand weten we wel beter.’