Arm landschap op rijke grond

Vooral boeren beheren het landschap. Perverse productieprikkels, mest en gif hebben tot monotone velden geleid.

TEKST
Bert de Jong

BEELD
Harold Koopmans

Weg zijn de slootjes, bloemrijke bermen en houtwallen. Weg zijn de hooilanden waarop de boer twee keer per jaar oogstte. Van de grasakkers haalt hij nu minstens vijf keer per jaar het snelgroeiende en eiwitrijke Engels raaigras, de velden kaalgeschoren achterlatend. Er is geen weidevogel meer die roept, slechts een enkele krassende kraai waarschuwt. De rijkdom van het landschap heeft plaatsgemaakt voor een saaie structuur.

Dit komt door de officiële Nederlandse ambitie om de voedselproductie in de wereld te helpen verhogen. Meer dan 60 miljard euro – zoveel exporteerden we in 2016 aan aardappelen, bloemen en zuivel.

Ruim de helft van de ruimte in ons ieniemienie-land is bestemd voor landbouw. Akkerbouwers telen er aardappelen en graan, melkveehouders benutten hun hectares voor groene weiden en voor manshoog maïs. En daartussen staan stallen die plaats bieden aan meer dan 100 miljoen kippen, 12 miljoen varkens en 4 miljoen runderen.

De intensiteit van de landbouw is in een eeuw tijd sterk toegenomen door moderne teelttechnieken, innovatie, kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen. Boeren kunnen op dezelfde hectare grond meer eiwitrijk gras winnen, meer aardappelen oogsten en meer vruchten plukken.

Glyfosaat (zie kader) heeft tot een nieuw ecosysteem geleid. De invloed van onkruidverdelgers op ons landschap is groot. Weilanden vol pinksterbloemen zijn schaars geworden, ze zijn ingeruild voor snelgroeiend Engels raaigras. Akkerkruiden zijn ook lang als nutteloos beschouwd. Zo beschouwd is de Amerikaanse Roundup-producent Monsanto uiteindelijk mee verantwoordelijk voor de landschappelijke stoffering van Nederland.

Meer en duurzaam?

De ambitie voor de toekomst is ongewijzigd: meer voedselproductie. Toch is er een maar: het moet voortaan duurzaam. De agrarische sector maakt zich schoorvoetend klaar voor natuurinclusieve landbouw. Het economisch belang blijft voor de coalitie van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie vooropstaan. Maar ook de belangen van landschap, natuur, leefomgeving en dierenwelzijn tellen nu mee. De panelen schuiven. Er is urgentie.

‘Een boer kan niet zonder natuur en de natuur kan niet zonder boer’, zegt de nieuwe landbouwminister Carola Schouten. In haar overtuiging is er een lotsverbondenheid, omdat het grootste deel van Nederland uit agrarische grond bestaat. Zij heeft de meerderheid van de Tweede Kamer aan haar zijde met de opvatting dat een rijke natuur en een vitaal platteland mogelijk zijn door een sterke landbouwsector.

De machtige landbouwlobby heeft weer een voorname plek verworven in de invloedssfeer van het kabinet. De terugkeer van een landbouwminister en een uitgebreide landbouwparagraaf in het regeerakkoord zijn het resultaat. Ferme en snelle koerswijzigingen zitten er niet in, niets gebeurt zonder diepgravend onderzoek.

Ondertussen voert samenleving de druk op om binnen afzienbare tijd duurzamer te werken. Het gaat om minder inzet van mest en bestrijdingsmiddelen. Maar ook om het welzijn van dieren en het landschap. Het doorgeschoten economische systeem heeft in de afgelopen decennia veel schade veroorzaakt.

De boerenorganisatie LTO heeft inmiddels ook de conclusie getrokken dat de huidige productiemethoden ecologisch niet houdbaar zijn. Niet alleen de plant, maar ook de omgeving hoort gezond te blijven. Het zijn geen loze kreten: de ambitie is dat in 2030 de Nederlandse land- en tuinbouw emissieloos en natuurlijk produceert. Al in 2020 moet er sprake zijn van een reductie van 50 procent ten opzichte van 2016.

Boeren willen waardering terugwinnen van de samenleving. LTO-bestuurder Tineke de Vries teelt pootaardappelen, suikerbieten en graan. Zij doet dit in maatschap met Gosse Jensma op 115 hectare klei tussen Hallum en Nieuwebildtzijl aan de Friese Waddenkust. Zij maakt zich sterk voor een duurzame akkerbouw. ‘Het gaat ons niet om méér productie’, beklemtoont ze. ‘Onze ambitie is gezond en veilig voedsel tegen een eerlijke prijs.’

De sleutel zit in landbouwgewassen die minder vatbaar zijn voor ziekten en plagen. Zo hoeven boeren geen of amper gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. En in teelttechnieken die leiden tot minder verbruik van water, meststoffen en bestrijdingsmiddelen. Met The Potato Valley willen telers, onderzoekers, onderwijs, overheid en bedrijfsleven die stimuleren. De Vries is voorzitter van dit in 2017 opgerichte platform. ‘Een groep boeren die de blik naar buiten heeft gericht, de koplopers. De vraag is nu hoe we het peloton mee krijgen.’

‘Een boer heeft een medicijnkast nodig’, nuanceert De Vries. ‘Maar duidelijk is dat het met minder middelen kan.’ Zij noemt als voorbeeld onkruidbestrijding met glyfosaat in graanvelden vlak voor de oogst. In haar ogen is dit onwenselijk en zeker niet goed voor het imago.

De economie regeert, is haar ervaring. ‘Afnemers stellen eisen.’ Pootgoedtelers gebruiken geen glyfosaat, omdat het de kiemkracht vermindert. Anderzijds stellen de exportlanden hoge eisen aan het pootgoed, waardoor de telers nu nog niet zonder gewasbeschermingsmiddelen kunnen. Het bevestigt De Vries in haar denken dat ‘we niet stil kunnen staan’.

Boeren zijn baas over hun eigen land, maar ‘eigenlijk weten we veel te weinig’. De Vries bepleit extra fundamenteel onderzoek om meer kennis te krijgen over een gezonde bodem en nieuwe gewassen. Zij ziet veel mogelijkheden. ‘Met veredelingstechnieken kun je belangrijke stappen zetten om weerbare gewassen te telen.’ Ze sluit ook gen-technieken niet uit. ‘We moeten erover nadenken. Die kunnen ons helpen om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen sterk te reduceren.’

Toekomstig landschap

Er is werk voor de agrarische sector, maar ook voor de samenleving. Weliswaar is Nederland de voedselschuur van Europa, de vraag blijft welke hypotheek dat bij de volgende generaties neerlegt. ‘Het gaat om het perspectief van de agrarische sector, maar ook van het toekomstig landschap’, zegt projectleider Wiebren van Stralen van LivingLab natuurinclusieve landbouw. Het door de provincie Friesland gesubsidieerde initiatief zoekt naar antwoorden voor boer en natuur.

Het gaat om de combinatie van een rijke biodiversiteit en een goede boterham voor de boeren. Dat is nog niet zo gemakkelijk, erkent Van Stralen. Hij ziet het om zich heen, hij woont in Bantega, midden in het weidegebied van de Groote Veenpolder. Daar stond ooit het water hoog in de sloten maar wordt het kwetsbare veenpakket nu bedreigd. Het draait ook daar om euro’s. ‘Een boer kijkt vooral naar de korte termijn. Hij wil oogst die geld oplevert.’ Veel boeren ruilen het gras van veenweidepercelen net zo gemakkelijk in lelies of aardappelen.

Deze landerijen bij moderne melkveebedrijven zijn de trots van boeren. De bodem is in de loop der jaren rijk geworden. Eerst door kunstmest, later door mestinjectie. Het meeste grasland heeft zo in een halve eeuw tijd een ongekende reserve aan stikstof en fosfaat opgebouwd. Het kan decennia duren, voordat deze overdosis is benut.

Het was de Dienst Landbouwvoorlichting die namens de overheid een halve eeuw geleden de boeren voor gek verklaarde als ze het land niet zouden bemesten met meer dan 500 kilogram stikstof per hectare. Nu verordonneert een ingewikkeld stelsel aan overheidsregels dat de helft het maximum is.

De verstoring in de bodem is ooit begonnen met de komst van kunstmest. De bij wet opgelegde injectie van drijfmest in de bodem is nog ernstiger. Deze laat weinig mogelijkheden open voor een divers bodemleven en een hoge biodiversiteit. Zelfs boeren betitelen mestinjectie als de blunder van de eeuw. Het is de prijs om de emissie van ammoniak terug te brengen.

‘In de kern gaat het om de vraag hoe je als boer goed voor de bodem zorgt, zodat deze ook goed op de boer past’, zegt Van Stralen. ‘Maar ja, biodiversiteit lijkt eerst geld te kosten.’ In zijn ogen begint het bij het verbeteren van de natuurlijke grondstructuur. Bijvoorbeeld met rode wormen, zodat die er weer humus in kunnen brengen. ‘Een goede bodem, betekent een goede natuur.’

Het gaat nog verder. ‘Melk is wit’, is voor Van Stralen te kort door de bocht. ‘Het gaat er ook om hoe je de voedingsstoffen uit de bodem in producten kunt terugvinden. Bijvoorbeeld de goede vetten, mineralen en de smaak.’ Wat hem betreft mogen we zoeken naar een nieuwe balans. ‘Koeien en gras hebben al zo lang een goede samenwerking. Daar hoeft niks bij om de beste grond en melk te krijgen.’

Zuivelconcerns doen er alles aan om het imago van de melkveehouderij op te poetsen, onder andere met een extra premie om koeien minimaal 120 dagen zes uren per etmaal in de wei te krijgen. Een schaamlap, want de koeien grazen er amper. Voordat ze naar de wei gaan, hebben ze in de stal hun pens volgevreten met eiwitrijk voer.

Van Stralen probeert iedere dag opnieuw mensen te overtuigen. Of in ieder geval een bijdrage te leveren aan de bewustwording. Soms is het in de discussie erg zwart-wit, is zijn ervaring. ‘Het is nog een lange weg.’

Glyfosaat als ‘laatste redmiddel’

Glyfosaat is er tot heil van de voedselproductie en tot schade van het milieu. De meest bekende onkruidverdelger ter wereld is onder de naam Roundup uitgegroeid tot het meest omstreden bestrijdingsmiddel.

Het gif helpt de boeren bij de teelt van graan, maïs en honderden andere gewassen. Spuiten met glyfosaat doodt alle onkruid op de akkers. Het landbouwgif is in 1974 door het Amerikaanse bedrijf Monsanto op de markt gebracht. Vervolgens kwam Monsanto met zaad voor maïs en sojabonen dat met genetische manipulatie resistent is gemaakt. Boeren overal ter wereld zijn zo in de armen gedreven van dit veredelingsconcern.

Voor landbouwminister Carola Schouten hoort glyfosaat ‘het laatste redmiddel’ te zijn voor de agrarische sector. Nederland heeft eind 2017 ingestemd met een verlenging met vijf jaar door de Europese Unie. Dat is niet zonder slag of stoot gegaan, juist vanwege de zwarte keerzijde van deze onkruidverdelger. Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden stelt niettemin dat veilig gebruik mogelijk is. De minister koerst op dit advies.

De belasting van het milieu leidt al jaren tot veel kritiek. In de bodem van 45 procent van de Europese akkers vallen residuen van glyfosaat terug te vinden, blijkt uit onderzoek van Wageningen Universiteit. Zo komt het ook terecht in het oppervlaktewater en zelfs in ruw drinkwater. Al jaren zit daar te veel glyfosaat in, stellen de in het Vewin verenigde drinkwaterbedrijven. In toenemende mate moeten zij moeite doen om ‘probleemstoffen’ eruit te zuiveren, voordat het water uit de kraan loopt.

Mens en dier staan bloot aan glyfosaat. Over de gevaren zijn wetenschappers het niet eens. De Wageningse hoogleraar Violette Geissen vindt dat glyfosaat verboden moet worden, juist omdat er zoveel onzekerheden zijn over de effecten. Is glyfosaat kankerverwekkend voor mensen? De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is niet eenduidig. Het Internationale Instituut voor Kankeronderzoek, onderdeel van WHO, stelt in 2015 ‘waarschijnlijk’. Maar de WHO en de VN-landbouworganisatie FAO concluderen in 2016 het tegenovergestelde: ‘onwaarschijnlijk’.

Rode wormen als biobouwers

Wormen spelen een sleutelrol in de weilanden. In het bijzonder gaat het om de rode wormen, zocht Jeroen Onrust uit voor zijn promotie aan de Campus Fryslân van de Rijksuniversiteit Groningen. De rode regenwormen maken de bodem luchtig, zijn de mestkruiers voor de gewassen en ze vormen ook nog eens een hapklare brok voor de weidevogels.

Op zijn buik liggend op een kar heeft Onrust vele nachten door Friese weilanden gerold. Op zijn hoofd had hij een lamp. Zo telde hij de rode regenwormen die ’s nachts tevoorschijn komen. En hij kwam tot opzienbarende conclusies. Bewerkingen als mestinjectie, ploegen en machinaal doorzaaien, verjagen de rode wormen uit het land, terwijl ze veel belangrijker zijn dan gedacht.

Onrust noemt de rode wormen de biobouwers in het ecosysteem van het grasland. Ze gaan op en neer en brengen organisch materiaal van de oppervlakte de grond in. Ze houden van ruige mest en stro, maar beide zijn zeldzaam geworden. Onrust bepleit meer ruige mest, waardoor het natuurlijke systeem zich weer kan herstellen. Ook moet de uitdroging van de landerijen stoppen. Want als de bovenlaag te droog is, trekken de rode wormen zich terug.

De douche van drijfmest in de grond is een verschrikking. De rode regenwormen en ook rupsen en insecten slaan het liefst op de vlucht. Toch zijn er nog steeds wormen in de grond. Onrust weet nu hoe het zit. In de diepere grond zitten de grijze wormen die er ook blijven en in de bovenlaag zitten de rode wormen die als pendelaars zulk waardevol werk leveren voor de bodem en de biodiversiteit.

 

Dit artikel staat in NB#1 2018