Volgens STORK (Stichting Ooievaars Research & Knowhow) staat de teller inmiddels op circa zevenhonderd broedparen en duizenden jongen, waarvan een derde in Noord-Nederland vertoeft. Een mooi aantal. Zeker vergeleken met de jaren veertig, toen er volgens Vogelbescherming Nederland ongeveer 350 paren actief waren. Dat was vóór de drastische terugval na de Tweede Wereldoorlog, door intensivering van de landbouw en overmatig gebruik van pesticiden.
Sinds 2006 al is de ooievaar in ‘randverspreidingsgebied’ Nederland weer op peil en getalsmatig niet meer bedreigd, ook niet op Europese schaal. De officiële fokprogramma’s lopen dan ook op hun einde. Enkele buitenstations zijn ondertussen gesloten. Andere bouwen hun taken geleidelijk af. Toch zijn er nog steeds veel particulieren die op eigen initiatief een ooievaarspaal op hun erf plaatsen. Ook Stichting het Groninger Landschap heeft afgelopen winter nog een nieuw ooievaarsnest geplaatst op landgoed Coendersborch in Nuis, goed zichtbaar voor bezoekers aan het gebied.
STORK adviseert mensen met klem om de vogels niet bij te voeren. ‘We moeten ze niet opnieuw afhankelijk maken.’ Zeker niet nu ze goed trekgedrag vertonen; 65 procent van de Nederlandse broedpopulatie, van jong tot oud (circa 25 jaar), trekt in het najaar naar overwinteringgebieden in Zuid-Europa en West-Afrika.
De huidige doelstelling van Vogelbescherming Nederland is daarom de ooievaar een zelfstandig en duurzaam voortbestaan in Nederland te gunnen, met zo veel mogelijk gelegenheid voor oorspronkelijk gedrag. Zo broedt hij graag op schoorstenen, die vormen een stevige basis voor zijn nest, dat soms een doorsnee heeft van 1,5 meter en een gewicht van honderden kilo’s. Gelukkig voorkomt een simpele schoorsteenkap al te veel overlast.

Trefwoorden