Een Friese nomade

Een gesprek met zangeres Nynke Laverman over Friesland als thuishaven en de waarde van reizen.

TEKST
Else de Jonge

‘Het was niet mijn plan terug te gaan naar Friesland. Op mijn 22e ben ik afgestudeerd aan de kleinkunstacademie in Amsterdam. Het bleek onmogelijk een geschikte plaats te vinden in Amsterdam, ik had steeds tijdelijke woonruimtes of zat in onderhuur. Op een zeker moment stond ik echt op straat. Toen ik op m’n 25e een huis in Franeker kon krijgen, heb ik wel even geaarzeld. Mijn eigen programma’s was nog helemaal niet op gang gekomen. Wanneer je als uitvoerend zangeres steeds aan verschillende producties meewerkt en audities moet doen, is het handig in Amsterdam te wonen. Maar Franeker ligt dicht bij de Afsluitdijk. Ik dacht: ik kan er in ieder geval voor een tijdje naartoe gaan. Inmiddels woon ik hier alweer een paar jaar. Met alle drukte die ik soms heb – het reizen, de concerten – vind ik het fijn Friesland als thuishaven te hebben. Mijn ouders en vrienden wonen hier. Ik zit dicht bij de Westhoek. Als ik ruimte in mijn hoofd wil maken, loop ik een eind over de dijk. De rust hier, die zit in mijn systeem, daar ben ik mee opgegroeid. Dit is mijn thuis.
‘Mensen vragen mij vaak of ik me een Fries voel. Ja, inderdaad. Ik voel me een Fries. Ik vind Amsterdam ontzettend leuk, er gaat een enorme energie uit van die stad. Maar het is niet mijn plaats en dat was het waarschijnlijk ook nooit geworden. Als je aan mensen daar vraagt hoe het met ze gaat, luidt het antwoord vaak: “Goed, ik heb het druk.” Het geeft status om een volle agenda te hebben. Friezen zijn rustiger, vind ik, relativeren meer. Ik denk dat mensen in een grote stad sneller geneigd zijn in een cocon te gaan leven. Alles wat deel uitmaakt van jouw kleine wereld wordt dan belangrijk. Leven in de ruimte versterkt het besef dat je maar een klein onderdeeltje bent van een oneindig groot geheel.
‘Ik kom uit een muzikale familie. Mijn vader zingt goed, vroeger deed hij mee aan de Friese openluchtspelen en aan amateur-
operettes. Toen ik als zesjarige voor het eerst mee mocht naar een uitvoering was dat mijn eerste kennismaking met theater. Het was een wereld die mij meteen betoverde. De combinatie van én zingen én dansen én acteren vond ik geweldig. Ik ben naar de kleinkunstacademie gegaan om die disciplines met elkaar te kunnen combineren. Het conservatorium of de toneelschool was geen optie. Pas tijdens de opleiding werd me duidelijk dat ik wilde zingen. Als ik zing, sta ik het meest in mijn kracht.
‘Mijn theaterachtergrond heeft wel sporen nagelaten in mijn manier van werken. Een nieuw programma begint bij mij altijd met tekst, met een concept. Wat is het verhaal dat ik wil vertellen? Pas daarna komen de muziek en de vormgeving.’

‘Reizen helpt mij om vorm te geven aan wat ik wil uitdrukken. Voor Sielesâlt heb ik in de fadokroegen van Lissabon gezeten. De Maisfrou is voor een groot deel tot stand gekomen in Mexico-stad, waar ik met dichteres Albertina Soepboer een halfjaar gewoond heb. Het blijkt voor mij goed te werken: me onderdompelen in een vreemde cultuur om vervolgens aan wat ik zie en ervaar mijn eigen vertaling te geven. Ik ben als ik reis vooral geïnteresseerd in de mensen: hun omgangsvormen, tradities en verhalen. Hoe ze denken over de natuur, over goden en geesten. Ik ben zelf niet religieus, omdat ik denk: we weten het niet en we gaan het waarschijnlijk ook nooit weten. Maar ik ben gefascineerd door wat mensen verzinnen om kader en zin aan hun leven te geven. Dat is vaak heel fantasierijk. Ik geniet ervan me in een onbekende situatie te begeven, van het gevoel een ontdekker te zijn. Reizen geeft je de waarneming van een kind. Het zet je zintuigen helemaal open.
‘Afgelopen zomer ben ik in Centraal-Mongolië een maand bij een nomadenfamilie met negen kinderen geweest. Nomaden zijn mensen die steeds weer opbreken, weggaan. Dat leven wilde ik graag een tijdje meemaken. Ook het rauwe van het nomadenleven trekt me, die kleren van dierenhuiden, dat haar dat bijna touw is, die rode, gelooide wangen. Voor mij heeft dat leven dicht bij de natuur een enorme schoonheid.
‘In het Friese landschap waan je je onder een koepel van lucht en wolken en in Mongolië vind je dat in het kwadraat. Mongolië is een zee van land. Het heeft een uitgestrektheid die ik me, voor ik er geweest was, nauwelijks had kunnen voorstellen. Mongoliërs gaan met een verrassend gemak met die immense ruimte om. Ze vinden feilloos hun pad in dat lege land; ze weten bijvoorbeeld altijd meteen waar het noorden is. Zij oriënteren zich kennelijk op de bergen en de stand van de zon. Ik ben vanuit Moskou met de trein naar Oelan Bator, de hoofdstad gereisd. Daar werd ik een paar dagen later door de oudste kinderen van het gezin opgehaald. We reden met hun busje het land in. Dat gaat dan nog een stukje over asfalt maar op een zeker moment houdt zo’n weg op en is er niets meer. Midden in de leegte sloegen we dan plotseling linksaf. Ik dacht: waarom precies hier? Het ziet er hier toch net zo uit als waar we drie uur geleden waren? Na twaalf uur hobbelen ben je dan ineens bij die ene tent, in the middle of nowhere.
‘De familie waar ik was, melkte ’s ochtends in alle vroegte het vee. De rest van de dag werd grotendeels benut om die melk te bewerken tot kaas en yoghurt. Het menu bestond uit zuivel en vlees. Ik miste de kleuren in het eten – dat was overwegend grijs – en kon slecht tegen al het vet. Ik huldig het credo dat je als gast moet eten wat de pot schaft, maar daar heb ik het dus wel even zwaar mee gehad. Dat je groente moet eten om gezond te blijven, is Mongoliërs volkomen vreemd. Vet houdt je op de been, is hun gedachte. Als er een dier geslacht wordt, gebruiken ze ook werkelijk alles. Je ziet ’s middags hoe ze de darmen uit een dier trekken en hoe de vrouwen die darmen leeghalen. ’s Avonds eet je worst die van die darmen gemaakt is. Ook de gekookte kop van een geslacht schaap kluiven ze met smaak af.
‘Ik heb meegedaan met het werk voor zover dat kon, hielp mee met koken en hout zagen. Voor melken blijk ik helaas niet echt talent te hebben – dat is aanzienlijk moeilijker dan ik dacht. Als er geen werk voor me was, liep en keek ik rond, las ik en schreef ik mijn indrukken op. Die notities heb ik gebruikt voor de liedteksten van Nomade, mijn nieuwe cd.’

‘Mensen zeggen vaak: “O, jij bent die vrouw van de Friese fado’s.” Dat ben ik inderdaad, maar dat is één van mijn projecten geweest. Ik had er best mee kunnen doorgaan. Mensen houden graag vast aan wat ze kennen en kunnen, zeker als ze daar succes mee oogsten, en dat zit ook in mij. Maar ontwikkeling heeft voor mij uiteindelijk toch te maken met dingen exploreren die ik nog niet ken. Toen ik op de kleinkunstacademie zat, dacht ik dat ik uitvoerend musicus zou worden. Ik was ervan overtuigd dat ik geen maker ben. Maar de docenten zetten je daarover aan het denken. Wat heb jíj als persoon te brengen, vroegen ze. Dat heeft bij mij veel in gang gezet. Ook Albertina heeft mij na onze samenwerking aan De Maisfrou gestimuleerd mijn eigen teksten te gaan maken. Ik moet mezelf telkens als ik ga schrijven over een grote drempel heenzetten. Die weerstand overwinnen en dan zien dat het lukt, daar gaat voor mij grote voldoening vanuit. Twee keer heb ik een week op Terschelling doorgebracht, in een huisje zonder gas en elektriciteit. Later ben ik nog een week alleen op La Palma geweest. Zo’n zelfgekozen retraite helpt mij me niet te laten afleiden van het schrijven. Nomade is de eerste cd waarvan ik de teksten helemaal en de muziek deels zelf gemaakt heb.
‘Ik heb geleerd dat ik mezelf niet moet vastleggen in een statisch beeld van wie of wat ik zou zijn. Zolang ik het kan volhouden, wil ik blijven zoeken naar waar ik mijn grenzen kan verleggen. Dat is bijna een soort levenshouding. Ik vertrouw erop dat dat me steeds weer iets zal brengen.’

‘Ik blijf voorlopig zingen in het Fries. Dat het grootste deel van mijn publiek de taal waarin ik zing niet verstaat, blijkt geen probleem te zijn. Emotie is in muziek ook goed overdraagbaar zonder dat het publiek je woorden begrijpt. En of mensen mijn teksten nu wel of niet letterlijk verstaan: ze vullen wat ze horen toch aan of in met hun eigen verhaal. Die menging vind ik ook mooi. Mensen hoeven mijn verhaal niet als een gesloten geheel over te nemen. Maar ergens is het dubbel. Ik wil graag begrepen worden in de teksten die ik zing en ik kies mijn woorden dus ook met grote zorg. Maar ik druk me uit in een taal die maar voor een klein deel van mijn publiek te verstaan is en die dus allesbehalve communicatief is.
‘Mensen die het Fries niet kennen, denken vaak dat het een lompe boerentaal is. Maar wie de moeite neemt dat vooroordeel te onderzoeken, is vaak verrast over de elegantie ervan. Het Fries is juist een zachte taal die stroomt: muzikaal, poëtisch en aards tegelijk. “De trein bonkt de nacht yn. It dinderjend en ratteljend ûnhandich widzeliet docht syn wurk.” (De trein bonkt de nacht in. Het denderend en ratelend onhandig wiegelied doet zijn werk.) Dat is een strofe uit één van mijn nieuwe liedjes. Ik geniet van de cadans die in die zinnen zit.
‘Mijn eerste fado’s zong ik in het Portugees. Maar dat voelde niet geloofwaardig. Pas toen ik ze in het Fries ging zingen, had ik het gevoel dat wat ik deed samenviel met wie ik ben. Fries is de taal die emotioneel het dichtst bij me staat. Die leent zich voor mij dus het best om emotie over te brengen.
‘Dat we “van Nynke Laverman geen vrolijke cd hoeven te verwachten”, zoals een recensent opmerkte, dat klopt wel. Ik heb grote bewondering voor muzikanten die muziek maken met een groove waar je bijna niet bij kunt blijven stilzitten. Maar muziek die alleen maar vrolijk is, ervaar ik ook al snel als oppervlakkig – die beklijft vaak niet lang. Op mijn nieuwe cd staan een paar onverdeeld vrolijke nummers, maar de meeste andere hebben wel een melancholiek randje. Ik houd veel van mineurakkoorden. In het melancholieke, de koestering van het verlangen voel ik mij verwant met Slauerhoff. Maar het is bij mij geen somberheid of gebrek aan vrolijkheid. Het is eerder zo dat ik het leven wil omarmen met alles wat daarbij hoort.’

——————————————————–
Nynke Laverman
(Weidum, 1980) studeerde in 2002 af aan de kleinkunstacademie in Amsterdam. Daarna werkte ze korte tijd bij theatergezelschap Tryater. Bij het grote publiek brak ze door met de ingetogen, melancholieke cd Sielesâlt (2004), waarop zij door haarzelf in het Fries vertaalde gedichten van Slauerhoff ten gehore brengt. Van Sielesâlt werden meer dan 35.000 exemplaren verkocht. Voor het concept en de teksten van haar tweede cd, De Maisfrou (2006), verbleef Laverman met de Friese dichteres Albertina Soepboer een halfjaar in Mexico. Ook dit album werd door pers en publiek met warm enthousiasme onthaald. Op 14 maart verschijnt haar derde cd, Nomade, waarvoor ze naar Mongolië reisde. Op die dag gaat ook de concerttournee van start, in Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam.

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
vanaf €37,50