Gemeenten zijn voortaan zelf verantwoordelijk voor het archeologisch erfgoed. Noorderbreedte keek hoe dat uitpakt in Coevorden en Winsum.

Alles van waarde is weerloos, dichtte Lucebert al in 1954. Dat geldt zeker voor archeologische waarden, ook wel het bodemarchief genoemd. De bewoningsgeschiedenis van Noord-Nederland is deels vastgelegd in schriftelijke bronnen, die in archieven worden bewaard en naar behoefte kunnen worden bestudeerd. Het overgrote deel van onze geschiedenis is echter niet op schrift te raadplegen. Soms doordat de bronnen zijn verdwenen, maar hoofdzakelijk doordat de bewoners van onze streken lange tijd geen toegang hadden tot het schrift. De bodem is nog de enige stille getuige van de activiteiten van jagers, boeren en handelaars door de eeuwen heen. Sinds professor Van Giffen in de eerste helft van de twintigste eeuw zijn baanbrekende terpen- en wierdenonderzoeken uitvoerde, ziet men steeds meer de waarde van deze unieke informatiebron, de bodem. Archeologie als wetenschap heeft zich sindsdien sterk ontwikkeld. Zo speelde de Rijksuniversiteit Groningen een grote rol in de kennisvergaring over de bewoningsgeschiedenis van de noordelijke provincies.

Niet eenvoudig

Vanaf de Tweede Wereldoorlog is de druk op het bodemarchief in heel Europa enorm toegenomen. Door stadsuitbreidingen, ruilverkavelingen en intensieve landbouwmethodes is een groot deel ervan ongezien vernietigd. Aan de andere kant groeide bij burgers de belangstelling voor archeologie. Mede door de globalisering groeide de belangstelling voor de geschiedenis van de eigen regio. Langzamerhand drong het besef door dat het bodemarchief wettelijk beschermd moest worden. In 1992 is hiertoe op Europees niveau een belangrijke stap gezet met het Verdrag van Valetta, ook wel het Verdrag van Malta, of kortweg ‘Malta’ genoemd. De Europese ministers van cultuur spraken af dat ze het archeologisch erfgoed beter zouden gaan beschermen.
Belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Valetta zijn ten eerste het streven naar behoud van archeologische resten in hun originele context in de bodem (‘behoud in situ’), en ten tweede het afwentelen van de kosten van archeologisch onderzoek op de initiatiefnemer van de verstoring (‘de verstoorder betaalt’). Het implementeren van deze afspraken in de Nederlandse wetgeving had nogal wat voeten in de aarde. Pas in 1998 werd het Verdrag van Malta door de Eerste en Tweede Kamer goedgekeurd. Sinds die tijd werken de diverse overheden reeds ‘in de geest van Malta’. Vele discussies en amendementen later, is de implementatie van ‘Malta’ dit jaar dan eindelijk een feit, met de aanpassing van diverse wetten, zoals de Monumentenwet, de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Ontgrondingenwet.
De invoering van ‘Malta’ in de wetgeving heeft grote consequenties voor gemeenten. Zij konden tot nu toe sterk leunen op provincie en rijk, maar moeten nu zelf de verantwoordelijkheid nemen voor het archeologisch erfgoed. Dit betekent dat zij inzicht moeten hebben in de archeologische waarden binnen de gemeentegrenzen en eigen beleid moeten formuleren. Vooral voor plattelandsgemeenten met weinig inwoners en veel (potentiële) archeologische waarden, zal dit naar verwachting niet eenvoudig zijn. Zijn gemeentes in de noordelijke provincies voorbereid op hun nieuwe taak? Houden ze er rekening mee in hun ruimtelijke plannen? Zijn ze bereid en in staat om geld uit te trekken voor de bescherming van hun erfgoed? Of steken ze de kop in het zand en wachten ze tot de eerste problemen zich aandienen?

Malta in Coevorden:
Drenthe moet een voorbeeld nemen aan Friesland

Dat het niet meevalt archeologische waarden op de juiste wijze te beschermen, werd vorig jaar pijnlijk duidelijk voor de gemeente Coevorden. De provincie Drenthe zette het licht op rood voor een deel van het geactualiseerde bestemmingsplan Buitengebied Dalen. De gemeente heeft in dit bestemmingsplan diverse maatregelen genomen om de archeologie te ontzien, bijvoorbeeld met betrekking tot het doen van extra archeologisch vooronderzoek bij nieuwe ontwikkelingen. De provincie vond de maatregelen echter niet ver genoeg gaan. Ze wilde een verplichte vergunning voor bepaalde agrarische werkzaamheden in de gebieden waar een hoge kans op archeologische vondsten is. Coevorden was het hier niet mee eens en stapte naar de Raad van State. In april 2006 stelde het hoogste rechtscollege de provincie in het gelijk. Dit betekende vooral een flinke beperking voor agrarische activiteiten in het gebied.
Een jaar na de uitspraak sprak ik met Annet Boon, seniorbeleidsmedewerker ruimtelijke zaken bij de gemeente Coevorden en belast met archeologie en monumenten.

Leg eens uit waarom Coevorden naar de Raad van State is gestapt?

Wij waren het er niet mee eens dat de provincie Drenthe ons beperkingen oplegt op basis van de zogeheten Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden. Deze IKAW is een kaart van Nederland die door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) is ontwikkeld, waarop in lichtgele, gele, lichtoranje en donkeroranje vlakken staat aangegeven waar een zeer lage, lage, middelhoge of hoge kans op archeologische vondsten is. Deze kans is gebaseerd op geografische gegevens. Uitgangspunt bij de vervaardiging van de IKAW is dat er een verband bestaat tussen de bodemgesteldheid en activiteiten van mensen in het verleden, zoals akkerbouw. De IKAW is zeer grof en indicatief (zoals de naam al zegt) en volgens diverse wetenschappers niet geschikt als beleidsinstrument. Helaas vond de Raad van State ons bezwaar tegen deze kaart onvoldoende onderbouwd voor dit specifieke bestemmingsplan. De provincie Drenthe was er overigens niet blij mee dat wij deze stap naar de Raad van State hebben gezet. Toch denk ik dat het belangrijk is dat er eens duidelijkheid werd geschapen. Er is hier jurisprudentie opgebouwd, en uiteindelijk hebben alle gemeenten daar iets aan.

Hoe is het nu met het bestemmingsplan Buitengebied Dalen?

We hebben eerst gezocht naar manieren om snel aan te tonen dat de IKAW als beleidsinstrument in dit gebied niet correct is, bijvoorbeeld aan de hand van ruilverkavelingsgegevens van het LTO. Dit bleek moeilijker dan gedacht. We hebben daarom besloten om toch toe te geven aan de eisen die de provincie Drenthe stelde. We wilden de vaststellingsprocedure voor de overige bestemmingsplannen namelijk niet nog langer vertragen. Gevolg is dat boeren in onze gemeente nu een aanlegvergunning moeten aanvragen voor werkzaamheden dieper dan dertig centimeter in gebieden met middelhoge en hoge verwachtingswaarde en nog niet onderzochte terreinen. Je moet dan denken aan diepploegen of het aanleggen van een drainage. De boer moet – op eigen kosten – aantonen dat hij daarbij geen archeologische waarden verstoort. Dit geldt ook als hun vader misschien al tien keer hetzelfde land heeft gediepploegd. Ik vind dat zeer onredelijk en niet te verkopen aan de achterban. De beste manier om draagvlak te creëren is volgens mij het opwekken van interesse en het vormen van samenwerkingsverbanden. Maar met dergelijke rigide regels schep je slechts wantrouwen. En de boer ploegt intussen gewoon voort, vrees ik.

Wat gaat de gemeente Coevorden doen om dergelijke situaties in de toekomst te voorkomen?

Ten eerste willen we zo snel mogelijk af van de IKAW als beleidsinstrument. Daarom gaan we een eigen beleidskaart ontwikkelen voor het gehele buitengebied van de gemeente Coevorden. Eigenlijk vinden we dat dit een taak is van de provincie. Zij zouden een voorbeeld kunnen nemen aan de provincie Friesland, die al jaren een eigen kaart hanteert, de FAMKE (Friese Archeologische Monumentenkaart Extra). Daarmee bieden ze een fantastische service aan gemeenten. Op provinciaal niveau kun je de onderzoeken veel beter coördineren en de diverse archeologische waarden veel beter tegen elkaar afwegen. Bovendien bespaar je kosten door zo’n kaart gezamenlijk te ontwikkelen. Gelukkig denkt de provincie Drenthe inmiddels wel na over wat zij de gemeenten kan bieden.

Heeft de gemeente Coevorden wel hart voor het archeologisch erfgoed?

Absoluut! We zijn ons zeer bewust van de waarde van ons erfgoed.
Ons platteland heeft heel diverse cultuurhistorische waarden: esdorpen, zandgebieden, veengebieden, beekdalen. In de stad Coevorden zijn resten van vestingwerken en de prachtige Motte (kunstmatig opgeworpen verdedigingswerk) nog goed zichtbaar. Voorafgaand aan de herstructurering van het centrum van Coevorden, die momenteel speelt, hebben we een cultuurhistorische inventarisatie laten maken, die geleid heeft tot diverse aanpassingen in het plan. Archeologisch onderzoek speelde hierbij een belangrijke rol.
In het kader van de onlangs vastgestelde Cultuurnota gaan we ook de mogelijkheid onderzoeken voor een eigen depot voor archeologische vondsten. Op dit moment gaan alle vondsten uit de drie noordelijke provincies naar het Interprovinciale Depot in Nuis. Gevoelsmatig klopt dat niet. De vondsten horen bewaard te worden waar ze gevonden zijn, zodat ze gemakkelijk getoond kunnen worden aan eigen publiek. Een gemeentelijk depot ligt echter gevoelig bij de provincie en is bovendien een kostbare zaak.

Wat zou u willen meegeven aan andere gemeenten in het Noorden?

Ik vind het verbazingwekkend dat gemeenten zich nog weinig zorgen lijken te maken over de gevolgen van de nieuwe archeologiewetgeving. Mijn advies zou zijn: wacht niet af maar maak nu werk van archeologiebeleid! Investeer in kennis over het gemeentelijk grondgebied, zoek actief naar regionale samenwerking en zorg vooral dat je zo snel mogelijk een eigen waarden- en beleidskaart hebt vastgesteld. Investeer daarnaast in interesse en draagvlak bij burgers en belanghebbenden.
Archeologiebeleid gaat niet vanzelf. Er moeten ‘idioten’ zijn die eraan willen trekken. Ik zou bestuurders willen oproepen om deze ‘idioten’ in hun organisatie de ruimte en het budget te geven om mooie dingen tot stand te brengen, zoals hier in Coevorden gelukkig wel gebeurt.

Malta in Winsum:
De krachten gebundeld

Regionale samenwerking komt al wel van de grond in de regio Noord-Groningen. De gemeente Winsum heeft onlangs samen met zeven andere gemeenten in deze regio een Nota Archeologiebeleid vastgesteld. De gemeente Winsum ligt ten noorden van de stad Groningen in een landschappelijk gevarieerd gebied. Het grondgebied van deze gemeente bevat veel archeologische rijkdommen waaronder maar liefst 46 archeologische rijksmonumenten. De oude meanders van het Reitdiep en de Hunze zijn nog goed herkenbaar in het landschap. Ten oosten van het Reitdiep bevindt zich op circa 1,6 meter diepte het Hoog van Winsum, waar vondsten uit het Neolithicum zijn gedaan. Twee voormalige borgterreinen uit de dertiende en zestiende eeuw zijn recent door Landschapsbeheer Groningen gerestaureerd.
Tinka Wuite is beleidsmedewerker Ruimtelijke Ordening van de gemeente Winsum en houdt zich onder meer bezig met monumentenzorg en archeologie. Zij vertelt hoe Winsum, als gemeente met slechts veertienduizend inwoners, omgaat met de verantwoordelijkheid voor het archeologisch erfgoed.

Waarom is er in de regio Noord-Groningen gekozen voor
een gezamenlijke nota?

De bescherming van het archeologisch erfgoed is een omvangrijke taak, groter dan de meeste gemeenten aankunnen. Aangezien we in de regio veel van de archeologische waarden delen en ook dezelfde problemen tegenkomen, is het niet meer dan logisch dat we onze krachten bundelen. We laten bijvoorbeeld een archeologische beleidskaart ontwikkelen voor de hele regio. Verder kiezen we voor het inzetten van een regionale archeologische beleidsmedewerker voor de inhoudelijke advisering.

Wat verandert er voor Winsum met de Nota Archeologiebeleid?

Ten eerste is de IKAW als toetsingskaart komen te vervallen. Dit was voor ons een belangrijk punt, want net als in Coevorden geldt ook hier dat de IKAW totaal ongeschikt is. Specifiek in onze regio geldt dat veel archeologische waarden zich op grotere diepte bevinden, terwijl de IKAW zich alleen baseert op de eerste 1,2 meter. Verder ontbreken op de IKAW de borgterreinen en middeleeuwse dijken, terwijl die plekken juist menselijke activiteiten aantrokken.
De vaststelling van de nota is zeker geen eindpunt. Er geldt nu een interimbeleid, tot aan de vaststelling van een archeologische beleidsadvieskaart. Met het opstellen van die kaart wordt dit najaar begonnen. Verder gaan we onderzoeken hoe we amateurs nog beter kunnen betrekken bij het gemeentelijk beleid. Dit is een proces dat tijd nodig heeft. Ook met LTO Noord zullen we in gesprek moeten gaan over de gevolgen van de nieuwe archeologiewetgeving. Gaan we bijvoorbeeld subsidie verstrekken bij excessieve archeologiekosten voor agrariërs?

Heeft de gemeente Winsum iets geleerd van Coevorden?

De ‘zaak Coevorden’ maakte voor ons nog duidelijker dat we zo snel mogelijk af moesten van de IKAW. Met de IKAW hadden we bijna overal ‘hoge archeologische trefkans’. Dat is niet te handhaven in agrarisch gebied. In plaats van draagvlak creëer je dan alleen maar weerstand. Met het huidige interimbeleid en de toekomstige beleidsadvieskaart nemen we het heft in eigen handen. Wij hebben het voordeel dat de provincie Groningen ons hierbij financieel ondersteunt.
Ik hoop voor Coevorden dat de provincie Drenthe dat ook gaat doen. Een adequaat beleidsinstrument maakt de procedures eenvoudiger, zowel voor provincies als gemeenten. Uiteindelijk heeft iedereen daar baat bij.

Trefwoorden