Ruimtelijke kwaliteiten aangeboden voor energieopwekking

‘€nergie(k) Noord-Nederland’ is de speelse benaming van het rapport dat een samenwerkingsverband van vijftien partijen in juni 2006 het licht deed zien. De publicatie is een eerste product van het project Grounds for Change, uitgegeven onder de vlag van Energy Valley.

TEKST
Carla Alma

Hoewel de laatste jaren in Noord-Nederland in sneltreinvaart wordt gewerkt aan het volbouwen van open gebieden, lijken de drie noordelijke provincies ten opzichte van andere landsdelen nog voldoende ruimte en landschap op voorraad te hebben.
En waar ruimte schaars wordt, wordt ze waardevol en krijgt ze een kostprijs, zo leert ons de economie. Naast ruimte is het noordelijke landsdeel van oudsher ook dé regio waar energie opgewekt en geleverd wordt. Met name de gasstromen hebben vanaf de jaren zestig Nederland veranderd in een welvaartsstaat.
Een ander belangrijk economisch kenmerk van de drie noordelijke provincies is de grootschalige landbouw. Vee, graan en aardappelen zijn belangrijke producten voor de voedselvoorziening en leveren bovendien grondstoffen voor de agrarische verwerkende industrie als suiker, aardappelmeel en strokarton. De inmiddels zo geroemde noordelijke landschappen zijn mede tot stand gekomen door toedoen van de landbouw. Was er in de jaren vijftig en zestig nog sprake van het ‘verre en saaie en met kranten dichtgeplakte’ Noord-Nederland, in de jaren tachtig werd de rest van Nederland massaal verliefd op de relatief goed bewaard gebleven open ruimte, de verscheidenheid in landschappen, de compacte steden en dorpen en het redelijk overzichtelijke leven alhier. Achterstand veranderde in voorsprong.
Anno 2007 zijn de hier genoemde begrippen actueler dan ooit en worden ze samengebracht in een synergetische benadering: duurzame energiehuishouding als een sturende factor in een ruimtelijke en economische planning in de drie noordelijke provincies. Het is tijd voor nieuwe identiteitsopgaven vanuit deze invalshoeken.

Grounds for Change

‘€nergie(k) Noord-Nederland’ is de speelse benaming van het rapport dat een samenwerkingsverband van vijftien partijen in juni 2006 het licht deed zien. Die deelnemers komen vanuit zowel overheden als het bedrijfsleven en kennisinstituten. Naast Gasunie, NAM, een aantal gemeenten en Rijksoverheidsdiensten en de Rijksuniversiteit Groningen nemen ook de drie noordelijke provincies erin deel. De ondertiteling van het rapport luidt: Een zoektocht naar een ruimtelijk concept gebaseerd op een duurzame energiehuishouding. En de opgave luidt: ‘Schets een voorstelbaar, nastreefbaar en aantrekkelijk ruimtelijk toekomstperspectief voor Noord-Nederland in 2035 waarbij het realiseren van een duurzame energiehuishouding als centraal uitgangspunt geldt.’ De publicatie is een eerste product van het project Grounds for Change, uitgegeven onder de vlag van Energy Valley, een bundeling van nagenoeg dezelfde vijftien overheden, bedrijven en organisaties.
Men wil op zoek naar realiseerbare ruimtelijke plannen waarin energie een belangrijk leidend principe vormt. En die energie moet op termijn helemaal duurzaam, dus hernieuwbaar zijn. Zon, wind, water, aardwarmte, biomassa, zou de argeloze lezer denken, maar in het rapport vormt gas nog steeds een belangrijke pijler onder de gepresenteerde ideeën van de synergie tussen ruimte en energie.
De redenen om zich met het verhaal te richten op Noord-Nederland heeft te maken met ‘de aanwezigheid van aardgas en van Gasunie in Groningen, en met de kennis die aanwezig is bij de Universiteit van Groningen. En natuurlijk vooral met de bundeling van kennis vanuit die beide invalshoeken, waaruit immers ook al de oprichting van Energy Valley voortkwam.’ Als versterkende factoren worden voorts de goede samenwerking tussen de drie provincies en de aanwezigheid van fysieke kwaliteiten als ruimte, landschap, rust en schone lucht genoemd. Doel en missie van het project, zoals verwoord in het rapport, is ‘om het energievraagstuk als medeordenend principe te beschouwen in de ruimtelijke ordening op regionaal niveau.’ Vooral de gebiedseigen kwaliteiten moeten daarbij in het oog gehouden worden, zodat een regio haar eigen identiteit krijgt of behoudt.

Denken, dromen en doen

De projectleiding is in handen van Klaas Jan Noorman van het adviesbureau KNN (Kamminga en Noorman). Met hem voeren we een gesprek over dit complexe project. Daarbij schuiven ook aan: de leverancier van de universitaire input, professor Gert de Roo en de landschapsarchitect Steven Slabbers van het bureau Bosch Slabbers. Enthousiasme is hun gezamenlijke noemer en dat is zeer zichtbaar.
Noorman: ‘Het is prachtig om te zien hoe de dingen in elkaar vloeien, we brengen in dit project de werelden van energie en duurzaam ondernemen en die van ruimtelijke planning samen, en dat leidt tot een nieuwe visie op inrichtingsprocessen in deze regio. Bovendien breng je naast richtingen en ideeën ook overheden, bedrijfsleven en kennisinstituten daadwerkelijk bij elkaar die voorheen ieder meer hun eigen gang gingen. Vanuit het formuleren van beleid van duurzaamheid en inzet van hernieuwbare energiebronnen ontstaan verschillende maatschappelijke afwegingsprocessen die in een nieuwe vorm van samenwerking tot pragmatische en uitvoerbare ruimtelijke inrichtingsplannen blijken te kunnen leiden.’
Gert de Roo is hoogleraar planologie aan de universiteit van Groningen. ‘Wij leveren vanuit de universiteit adviezen en studies over duurzame ontwikkeling.Willen we onze missie bereiken, dan moeten we het samen doen met mensen die pragmatisch te werk gaan en vertaalslagen kunnen maken naar het beleid, zoals KNN dat doet.’

Geschiedenis van ruimte en energie

Ruimte en energie, hebben die wat met elkaar dan? ‘Jazeker’, stelt Gert de Roo, ‘het grote verhaal achter dit project is neergezet door de internationale energiewereld, die om de drie jaar de Wereld Gas Conferentie organiseert. Ter voorbereiding van die conferentie die in 2006 in Amsterdam plaatsvond, is in 2003 het project Bridging to the Future gestart. Daar werd voor enkele internationale regio’s de relatie gelegd tussen ruimtelijke ontwikkeling en de opgave van de energietransitie. Ons project Grounds for Change is een uitwerking van die opgave voor de toekomst voor Noord-Nederland en wil nadrukkelijk de werelden van de ruimtelijke planning en van de energie bij elkaar brengen. Daarbij is ook de wetenschappelijke input belangrijk. Het fundament achter dit verhaal wordt door enkele wetenschappelijke instituten geleverd in het onderzoek SREX (zie elders in dit nummer), waarbij energiecascades het uitgangspunt vormen; dat betekent dat we vooral ook kijken naar de kwaliteit van de energie.’
Met ‘energietransitie’ wordt de overgang bedoeld van het gebruik van fossiele brandstoffen voor onze energievoorziening naar de inzet van hernieuwbare en duurzame energiebronnen. Van kolen, olie en gas naar zon, wind, water en biomassa dus. Het denken daarover is de laatste jaren sterk in opkomst. Natuurlijk was dat ook al het geval onder invloed van de Club van Rome en het Brundtlandrapport respectievelijk in de jaren zeventig en tachtig, maar na de uitkomsten van de klimaatonderzoeken en de wereldwijde gevolgen daarvan, en na het opstaan van de nieuwe ‘klimaatgoeroe’ Al Gore zijn zeker in de Westerse wereld de oren en ogen geopend over de klimaatveranderingen en de daarmee samenhangende energievraagstukken.

Lege gaskelders

Landschapsarchitect Steven Slabbers is actief vanuit kantoren in Arnhem, Middelburg en Den Haag, maar voert ook regelmatig opdrachten uit in Groningen: ‘Ik ben betrokken geweest bij de Keuningcongressen over het hoogveenlandschap en over de waddenkust.’
Hij voert bij voorkeur projecten uit op een regionaal of provinciaal niveau, met steeds het landschap als inzet en samenbindende factor, want een gedeputeerde of een bedrijf wil graag iets ondernemen als er ook nieuwe kansen voor het landschap in zitten. Landschap is in. De koppeling tussen ruimte en energie geeft die nieuwe kansen. Met de nieuwe initiatieven uit het Waddenfonds kunnen goede samenballende effecten bereikt worden. Energie en ruimtelijke inrichtingsplannen gaan de actuele thema’s voor het Noorden vormen. Friesland en Drenthe zijn al erg enthousiast over deze nieuwe koers en Groningen wil graag een voortrekkersrol spelen op het gebied van de lege gaskelders die daar zijn. Maar in verband met het opstellen van een nieuw omgevingsplan is er momenteel een wat afwachtende houding. Soms onttrekt zich dat aan ons gezichtsveld en gebeuren dingen binnen provinciehuizen erg intern. Want wij zijn dan wel mensen met goede ideeën en wij lobbyen daarvoor, maar we hebben natuurlijke wel een commercieel doel.’

Wie brengt de boodschap?

De drie heren zien bij de provinciale besturen veel bereidheid om mee te denken in nieuwe opgaven. Klaas Jan Noorman: ‘Natuurlijk is er de nodige stroperigheid, we moeten geduld hebben. Overheden hebben ook met andere partijen te maken en ze moeten wel de moed kunnen opbrengen om aan plannen met een verre tijdhorizon te beginnen. Met name omdat deze voorstellen niet in het standaardbeleid passen.’ Vanuit een kritische houding kan gesteld worden dat we het energiethema en het klimaatverhaal al zoveel eerder voorbij hebben zien komen.
De cruciale vraag is natuurlijk: wanneer worden plannen werkelijkheid? Slabbers: ‘Is er ooit één plan gepresenteerd waarin een duurzame energiehuishouding absoluut richtinggevend was? En waarin drie schaalniveaus – regio, stad, woning – in elkaar vloeiden? Natuurlijk hebben met name milieuorganisaties veel en vaak op deze thema’s gehamerd, zoals hier in het Noorden in 2000 vanuit het Groene Platform in het rapport ‘Tijd om te Kiezen’ – maar soms gaat het erom wíe de boodschap brengt.’

Zonnige toekomst?

De verkenningen in de rapporten van Bridging to the Future en dus ook van Grounds for Change en van €nergie(k) Noord-Nederland hebben een tijdshorizon van 2035.
Is dat niet wat ver in de toekomst? Zijn we technisch niet al ver genoeg om eerder op grote schaal hernieuwbare bronnen in te zetten? Zijn bedrijfsbelangen van een grote speler als Gasunie daaraan ook debet, onder de wel vaker van die kant gehoorde noemer: ‘Eerst het gas uitverkopen en dan gaan we onze energie uit de zon halen’?
Noorman: ‘Gasunie verkoopt natuurlijk gas, dat is hun business, maar men ziet daar nu gas wel als de belangrijkste transitiebrandstof. Ze denken dus wel met de overgang naar duurzame energievormen mee en ze hebben veel expertise in huis.’
De Roo: ‘Verschil met de periode hiervoor is dat Gasunie heel lang alléén vanuit die verkoop van gas heeft geredeneerd en dat men nu bereid is zich samen met andere disciplines op een breder terrein te begeven. De onderwerpen die nu aan de orde komen, hebben een breder maatschappelijk kader en daar kan overheidsbeleid op gemaakt worden.’

Backtracking en backcasting

Het rapport start met (interdisciplinaire) verkenningen en analyses. Het rapport gaat terug naar een ‘moment dat de maatschappelijke ontwikkelingen nog in evenwicht verkeerden met de natuurlijke ontwikkelingen in de regio’. Backtracking wordt deze werkwijze genoemd. Van daaruit wordt aan backcasting gedaan: ‘Met behulp van een ideaalbeeld van Noord-Nederland als duurzame regio verdere toekomst perspectieven schetsen voor het jaar 2035’. Daarnaast wordt de huidige situatie in beeld gebracht in termen van kernkwaliteiten en worden hoge ambities voor het Noorden beschreven: goed wonen, een kennisintensieve werkgelegenheid, versterking van de economische structuur en een daarop toegesneden ruimtelijke inrichting. Het zijn ambities die ook uit de mond van menig noordelijk bestuurder beluisterd kunnen worden. Energie speelt als thema in alle schetsen uiteraard een hoofdrol.
De uitwerking van alle analyses en schetsen voor de toekomst levert interessante plaatjes voor deelgebieden op. Alle maatschappelijke invalshoeken worden meegenomen: wonen en werken, mobiliteit, recreatie, de landbouw, natuur en landschap. Dat alles leidt tot een vijftal deelontwerpen die €nergieke ontwerpen genoemd worden.

Zwaluwstaarten en Esperanto

In het gesprek met de drie initiatiefnemers van €nergie(k) Noord-Nederland vallen veel verbindende woorden te beluisteren. ‘Wij willen in lokale programma’s vakgebieden niet naast elkaar laten werken maar samen. Van meet af aan moeten techniek, stedenbouw, energie en ruimte gaan zwaluwstaarten met elkaar, dat geeft een palet aan kleuren.’ En: ‘Al die vaktalen moeten Esperanto worden.’ De werkelijkheid is soms weerbarstiger. ‘Energie is altijd een impliciete factor gebleven, ze zou veel explicieter moeten worden, zoals we dat ook zien met water of woningbouw. In het huidige klimaatdebat ligt die kans er. We kunnen nu veel aspecten samenbrengen.’
Is dat vanuit een idealistisch standpunt of spelen commerciële belangen de hoofdrol? Slabbers: ‘Het verhaal is goed, dat is belangrijk. Het besef dat regio’s zelf gaan nadenken over hun energievraagstuk, dat ze zelf bezig moeten met tekorten aanvullen. En zo’n regio hoeft niet per sé een landsdeel van Nederland te betreffen, het verhaal gaat ook op voor een grotere regio als Europa.’
Noorman vult aan: ‘Op die schaalgrootte moeten we voor onze energie niet afhankelijk willen zijn van import van elders, zoals uit Afrika, en de effecten daarbij afwentelen op die gebieden. Vanuit het denken in termen van duurzaamheid tellen ook de effecten op natuur of biodiversiteit elders in de wereld een rol in onze keuzes. Laten we bijvoorbeeld eens goed nadenken over inzet van biomassa volgens de normen van minister Jacqueline Cramer. Dat betekent dat we goed moeten kijken naar de echte duurzaamheid van grondstoffen, ook bij import van biomassa. Daarnaast willen we de grondstoffen zo efficiënt mogelijk gebruiken, de kwaliteit ervan als het ware helemaal uitbuiten. Dit hebben we gedaan door te denken in ‘energiecascades’, waarbij niet alleen wordt gekeken naar de hoeveelheid maar ook naar de kwaliteit van de energie (de exergie). Dit betekent dat we moeten zoeken naar systemen waarbij vraag en aanbod van energie ook kwalitatief in evenwicht zijn. Dus geen hoogwaardige energie zoals aardgas meer gebruiken om warmte met een lage temperatuur te maken.’
Slabbers: ‘Bij de door ons beschreven opgaven breng je verschillende vakken bij elkaar, zoals energie, techniek, landbouw en ruimtelijke planning, en maak je de opgave los van een vorm van idealisme. Dan kan een opdrachtgever een plan uitzetten dat gebaseerd is op realistische en zakelijke argumenten.’
Ook de twee andere gesprekspartners benadrukken deze stellingname: ‘Je mag best het economisch aspect benadrukken, maar je moet daarbij altijd de sociale context in de gaten houden, die is minstens zo belangrijk. We hebben wel maatschappelijk draagvlak nodig. En er gaat een generatie overheen alvorens je aan echte uitvoering toekomt. Kijk naar de uitvloeisels van de voorstellen van de Club van Rome in de jaren zeventig: daarin ging de opgave over het grijze milieu, over de aanpak van vervuilende stoffen. Je ziet nu dat het op heel veel terreinen schoner is geworden in één generatie tijd; je kunt weer zwemmen in de Rijn. Als een brede coalitie van overheden en bedrijven erachter staat, krijg je nieuwe ideeën echt wel voor elkaar.’

Historisch-geografisch perspectief

Waarom Noord-Nederland? Waarom zou niet in heel Nederland binnen tien jaar helemaal op zonne-energie draaien zoals de zonnegoeroe Kees Daan Ouwens al dertig jaar beweert dat het kan? Noorman: ‘Er kan heel veel tegelijk ontwikkeld worden, maar zo’n snelle transitie zet je niet zo maar even neer. We hebben te maken met bestaande tradities, met werk binnen instituties, met fysieke erfenissen. Doorgaan met bestaande bronnen en daarnaast nieuwe wegen inslaan lijkt de meest haalbare manier.’
De Roo en Slabbers halen een historisch-geografisch perspectief aan: ‘Waarom heeft de Eemsmond zich niet net zo ontwikkeld als de Rijnmond? Op oude kaarten bestond ooit veel meer gelijkwaardigheid tussen die twee havengebieden. Om een en ander in potentie weer gelijk te trekken is het Noorden nu ontvankelijk voor de energieopgave. Die past bovendien in de traditie alhier, want de infrastructuur is er en dat geldt ook voor de manier van werken, net zoals dat voor de landbouw in het Noorden het geval is.’

Thermo-terpen

Met het dichter bij elkaar brengen van vraag en aanbod van energie worden andere vormen van ruimtegebruik gecreëerd. Warmte over grote afstanden vervoeren is dan niet meer aan de orde; daarvoor komt decentralisatie van de warmteopwekking in de plaats. Daar vloeit uit voort dat er in de toekomst op andere plaatsen gewoond, gewerkt en gerecreëerd gaat worden. Om de opgaven zo concreet mogelijk te maken, schetst het Grounds for Change rapport de veranderde ruimtelijke inrichting in enkele voorbeeldgebieden.

Zo wordt het Eemsmond-Delfzijlgebied getransformeerd naar de Po(o)rt van Noord.
Daar kan worden ingezet op het gebruik van lege gasvelden voor opslag van CO2, nieuwe schone multifuel-centrales in de Eemshaven, productie van ethanol, aanwending van grootschalige landbouw voor biomassa en opwekking van veel windenergie. Maar ook thermo-terpen komen in dit ontwerp voor, waarin aardwarmte voor direct gebruik wordt geëxploiteerd. Naast de opgeschoonde industrieterreinen van Delfzijl kan de toekomstige bewoner van de hoogwaardige woonboulevard aan de Eems flaneren langs de ‘Côte d’Ollard’.
Ook de Veenkoloniën en de Drentse Hondsrug veranderen van aangezicht. Veel windenergie en veel bulkproductie voor biomassa in de Veenkoloniën, warmteopslag in water in een sterk vernatte Hunzelaagte en energieopwekking uit kwelstromen vanuit de steilranden tussen het Drents Plateau en de Hunzelaagte. Er ontstaan nieuwe zelfvoorzienende buurtschappen die hun energie halen uit biogas uit de koeienstallen en door middel van houtkachels die stoken op hout uit de aangeplante landschapsversterkende houtwallen of bossingels. De grootschalige ‘winninglandschappen’ bieden ruimte aan landgoederen met energieplantages.

Wetterwrâld

Het toekomstige Friesland wordt door grotere tegenstellingen gekenmerkt. De lage veenlandschappen worden vanwege de stijgende zeespiegel en de bodemdaling niet meer bemalen en vernatten verder. Uit rietteelt kan energie worden gewonnen. Vanuit de hogere houtwallen gebeurt dat met snoeihout. Naast deze biomassa-inzet kent Friesland bij uitstek watergerelateerde energieopwekking, vandaar de naam Wetterwrâld (Waterwereld). Ook wind en zon spelen in verschillende vormen een rol. Wonen gebeurt in Wetterwrâld op dekzandruggen, in compacte steden en dorpen en in landgoederen.
Naast deze drie gebieden zijn ook Emmen en het Lauwersmeergebied nader uitgewerkt in toekomstscenario’s. Voor elke regio zijn kaartjes gemaakt waarin de verschillende mogelijkheden voor energieopwekking schetsmatig worden weergegeven. De invulling met het aantal uren zonneschijn, windsnelheden, verbouwkansen voor biomassateelt, aardwarmtebronnen, getijde- en andere vormen van waterenergie of lege gasvelden voor CO2-opslag zijn ingekleurd en vormen, over elkaar heen gelegd, een mooi en waarheidsgetrouw inzicht in de potenties van een gebied.

Charrettes

De heren initiatiefnemers vertellen enthousiast dat hun ideeën nu ook uitwerking beginnen te krijgen. ‘We willen graag onze schetsen voor de toekomst gestalte geven in realistische plannen op bijvoorbeeld een gemeentelijk schaalniveau. En dat is snel gegaan: de eerste uitwerkingen liggen er inmiddels.’ Voor de wijken Hunzedal in Borger en Winsum-Oost in het Groningse gelijknamige dorp zijn Charrettes uitgewerkt. Daarnaast is er ook in Emmen voor de ontwikkeling van 1000 hectare glastuinbouw een charrette gemaakt (zie elders in dit nummer). Het Franse woord ‘charrette’ staat voor een ‘kar’ die in het Parijs van de negentiende eeuw werd gebruikt door kunststudenten om hun werkstukken naar de examencommissie te brengen. Lopend langs de kar deden ze nog een laatste krachtsinspanning om hun schilderijen te verfraaien of te voltooien. Charrette betekent overdrachtelijk dus een ‘laatste inspanning’.

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
vanaf €37,50