Een oorlogsgraf in natuurgebied de Appèlbergen

In de Tweede Wereldoorlog vonden drie grote stakingen plaats. De meistaking van 1943 was de tweede staking. De aanleiding was de op 29 april 1943 gepubliceerde proclamatie van Generaal Friedrich Christiansen, de militaire bevelhebber in Nederland, die inhield dat alle 300.000 aanvankelijk vrijgelaten Nederlandse krijgsgevangen werden opgeroepen om opnieuw in krijgsgevangenschap te worden weggevoerd. Hierop brak spontaan een wilde staking uit, die vooral in de drie noordelijke provincies bloedig werd onderdrukt en onder meer leidde tot een massagraf in de Appèlbergen.

TEKST
Truus de Witte

De bezetters hadden zo’n massale opstand niet verwacht, en vermoedden een netwerk van verzet. De bevolking moest zo snel mogelijk weer in het gareel worden gedwongen. Haastig werden verordeningen opgesteld, zoals de avondklok en het verbod op samenscholing en werkweigering. Wie zich niet aan de verordeningen hield, werd krachtens het standrecht veroordeeld. Dit standrecht werd op 30 april geproclameerd om gearresteerden snel te kunnen berechten. Het vonnis hield de doodstraf of langdurige gevangenschap in.
Het was niet zozeer belangrijk dat overtreders juist werden gearresteerd en berecht, nee, het was belangrijk dat er doodvonnissen werden geveld. De namen van de gefusilleerden werden onmiddellijk gepubliceerd in dagbladen en op grote hardroze aanplakbiljetten. Dit was bedoeld om de bevolking te laten weten dat daadwerkelijk hard werd opgetreden. Om de bevolking extra te intimideren werden de lichamen van een aantal gefusilleerden door de bezetters verborgen op een geheimgehouden plaats. Het was willekeurig welke lichamen de bezetters op straat achter lieten en welke ze verborgen. Ook werd expres onjuiste informatie verstrekt, zoals de mededeling dat gearresteerden nog leefden.
De meistaking duurde van 29 april tot 5 mei 1943. Landelijk kostte de meistaking 175 slachtoffers. Van hen vielen 60 in de drie noordelijke provincies. Van deze 60 slachtoffers werden 34 verborgen ‘op een plaats die niet bekend gemaakt werd’.

Massagraf

Op 30 november en 1 december 1945 werden negentien van hen, op grond van ooggetuigenverklaringen, gevonden in het militair oefenterrein de Appèlbergen bij Haren. Van hen werden achttien geïdentificeerd. Het betrof de zestien slachtoffers van het bloedbad in Marum: Andries Hartholt, zijn drie zoons Dirk, Albert en Hendrik, zijn aanstaande schoonzoon Berend Assies, Eeuwe de Jong, Sibbele de Wal, Uitze van der Wier en zijn twee broers Jelle en Steven, de broers Karst en Jan Doornbosch, Gerrit van der Vaart, Geert Jan Diertens, de onderduikers Frits van de Riet en Johannes Glas. Ook werden Berend Trip en Jan Postema in het massagraf gevonden. De achttien slachtoffers werden herbegraven in hun woonplaatsen. Het negentiende slachtoffer werd als ‘onbekende’ herbegraven.
De andere zestien slachtoffers bleven vermist: Grietje Dekker, Jogchum van Zwol, Broer de Witte, Harm Bakker, Egbert Thoma, de broers Herman en Eisso Kleefman, Rienold Terpstra, Paulinus Nieuwold, Gerrit Imbos, Willem van Rossum, Cornelis Luinstra, Bouke de Vries, Dirk Fokkens, Jan Eisenga en Harm Bos.

Onzekerheid was verscheurend

Eind 1948 werd uit verklaringen van gearresteerde Duitse getuigen vernomen dat deze nog vermiste slachtoffers óók in de Appèlbergen waren begraven, vlak bij de slachtoffers die al gevonden waren. De overheid deed pogingen de graflocatie te achterhalen. Aan verschillende ooggetuigen die in Duitsland verbleven, werd zelfs beloofd dat ze niet gearresteerd zouden worden als ze de graflocatie aan zouden wijzen. De getuigen weigerden medewerking.
De families van de zestien vermisten werden niet van de nieuwe informatie op hoogte gesteld. Bij verschillende families mocht de deur niet op slot. Stél dat hun zoon of vader terug zou komen? Andere nabestaanden gingen naar het treinstation als er weer vrijgelaten krijgsgevangenen uit ‘het oosten’ arriveerden. De onzekerheid was verscheurend. De nabestaanden konden de gebeurtenissen op geen enkele manier verwerken.
Ten eerste was het niet zeker of hun familielid dood was of leefde. Welk verhaal moesten ze in hun leven inpassen? Ten tweede was er geen zekerheid over de verblijfplaats van hun familielid. Is hij of zij begraven, en zo ja, waar dan? Of weggevoerd, en zo ja, waarheen dan? Leeft het familielid in gevangenschap of is hij of zij gehersenspoeld? Ten derde tastten nabestaanden volledig in het duister over wat er precies was gebeurd. Ze misten informatie om greep op de gebeurtenissen te kunnen krijgen. Ten vierde zorgde de willekeur waarmee de bezetters in 1943 de staking hadden neergeslagen, voor vele malende vragen.

Verhalen met een open eind

Zowel verlies- als traumaverwerking begint met het aanvaarden van de realiteit. Maar deze realiteit ontbrak volledig. Vele verhalen, alle met een open eind, vormden een ongrijpbare realiteit. Daarom bleef ze woekeren, en werden volgende generaties bij de erfenis van de meistaking betrokken.
Vanuit het onvermogen rust te vinden, werden door nabestaanden verschillende zoekpogingen geïnitieerd. Tussen 1986 en 1993 trachtte Cees Corts, vriend van Willem van Rossum, de graflocaties te vinden. Hij kreeg hulp van de overheid. Vanaf 1995 deed ik dat, gedreven door het verdriet van mijn vader, die in mijn jeugd is overleden en ondraaglijk heeft geleden onder de vermissing van zijn broer Broer. Ook ik kreeg veel hulp van met name de historici Robert Boxem en Peter de Jong, en vele instanties.
In het laatste onderzoek is een gedetailleerde studie gemaakt van documenten uit 1943 en de eerste naoorlogse tijd. Veel van deze documenten werden aanvankelijk als ‘onvindbaar’ bestempeld. Dit documentonderzoek wees uit dat Broer de Witte in 1945 moet zijn gevonden en geïdentificeerd is als de onderduiker Frits van de Riet.

Begin van verwerkingsproces

Op grond van documentstudie kon een deel van het Grote Veen van de Appèlbergen, thans eigendom van Staatsbosbeheer, aangewezen worden als graflocatie. Echter, het Grote Veen is momenteel drassig en zeer moeilijk begaanbaar. De waterstand lag tijdens de meistaking vijftig centimeter lager. Vanwege deze natuurlijke gesteldheid van het Grote Veen kon in 2003 slechts een kwart van de aangewezen locatie worden gedetecteerd door Archeologisch Adviesbureau RAAP te Amsterdam. Detectie wees uit dat zelfs in dit beperkte gebied dieptemetaal in de bodem zat dat op een rits of bril konden wijzen. Tijdens bodemonderzoek door de Koninklijke Landmacht (2004) werden helaas geen menselijke resten gevonden.
In 2003 zijn alle documenten die aangeven wat er met de slachtoffers is gebeurd en die bewijzen dat de Appèlbergen de laatste rustplaats van de slachtoffers is, onder de families verspreid. Op 3 mei 2004 is bij het Grote Veen een monument onthuld.
Beredeneerde zekerheid moet nu de plaats van voldongen zekerheid innemen. Voor de nabestaanden is nu pas het verwerkingsproces begonnen.
‘De Appèlbergen is de vredigste plaats om eindelijk afscheid van mijn broer te kunnen nemen en hem te herdenken’, aldus de broer van één van de slachtoffers.

De auteur vormt samen met Robert Boxem en Peter de Jong de Werkgroep Appèlbergen.

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
vanaf €37,50