Locatietheater in Noord-Nederland

Een overzicht

TEKST
Marijn van der Jagt

In de zomer van 2000 voltrok zich in en om het Bombrekken, een Fries meer vlak bij Workum, een bijzondere gebeurtenis. Om een uur of vier ‘s morgens stonden er mensen op het water. Er verscheen er een oplichtend pad in het meer, waarover uit de verte een gedaante kwam aangelopen. Het water opende zich en verzwolg een zingende vrouw. En de zon kwam twee keer op, aan verschillende kanten van het meer.
De magische momenten maakten deel uit van Orfeo Aqua, een operaproductie die in het kader van Simmer 2000 werd gerealiseerd door toneelgroep Tryater en orkest Concerto ‘91. Het was een grootschalig project: in totaal bezochten 15.000 mensen de twaalf opvoeringen. Het bijzondere was, dat op deze afgelegen buitenlocatie, die alleen te bereiken was met de fiets of met de trein, écht opera werd bedreven. Deze kwetsbare kunstvorm, die het beste gedijt in een (droog!) gebouw met een goede akoestiek was getransplanteerd naar een plek waar de elementen vrij spel hadden, waar elke wc speciaal moest worden gebouwd, en waar een decorbouwer een half uur met een bootje moest varen als hij iets wilde veranderen aan het decor aan de overkant van het meer. En toch ontstond hier een organisch samenspel tussen cultuur en natuur, alsof de opera ter plekke was ontstaan.

Orfeo Aqua was meer dan een optelsom van losse onderdelen in een mooi, natuurlijk décor. Hier werd een hoogstandje vertoond van een heel specifiek theatergenre: het locatietheater. Initiatiefnemer en dirigent Hoite Pruiksma had met regisseur Jos Thie, vormgever Peter de Kimpe, lichtontwerper Henk van der Geest en geluidsontwerper Piet Nieuwint een team verzameld van ervaren vakmensen op dit gebied. En dat was aan de voorstelling af te lezen. De tribune aan de rand van het meer was zo uitgekiend neergezet dat er een maximaal contrast kon ontstaan tussen de verte en de nabijheid. Het orkest bevond zich vlakbij het publiek in een schuit die aan een steiger lag, het koor kwam over het meer aangevaren, en de hoofdpersoon Orfeo had een eigen bootje. En toch was het geluid perfect uitgebalanceerd. Het kwam heel dicht bij de toeschouwers, zonder dat er een speaker te zien was (die zaten verstopt in eendenmanden en viskorven). De gigantische waterbak onder het meer, waar Euridice uit te voorschijn kwam en waarin zij verdween, liet het wateroppervlak onberoerd, net als de verlichte catwalk waarover Amor kwam aangewandeld. En de belichting – met theaterlampen, maar ook met vuur — zorgde er geraffineerd voor dat het publiek de magie van het aanbreken van een nieuwe dag in de natuur in volle glorie kon beleven.

Beeldend locatietheater

Een productie als Orfeo Aqua laat zien wat een volwassen kunstvorm het locatietheater eigenlijk is. Er werd experimenteel pionierswerk verricht, maar de visuele schoonheid en de auditieve kwaliteit van de voorstelling maakte het Friese meer tot een volwaardig theater. Je zou kunnen stellen dat de voorstelling het product was van een kwart eeuw ervaring en kennisopbouw op het gebied van dit theatergenre. Niet voor niets introduceerde de Raad van Cultuur bij haar recente advisering over het kunstenplan voor 2005-2008 een nieuwe te beoordelen categorie: het ‘beeldende locatietheater’. Steeds meer Nederlandse kunstenaars beoefenen deze richting van theater met een steeds beter resultaat. Het is een genre dat lange tijd was voorbehouden aan een beperkt aantal pioniers, zoals de Dogtroep (die hun subsidie grotendeels weer kwijtraken op het moment dat de nieuwe subsidiecategorie z’n intrede doet). Tegenwoordig wordt locatietheater zelfs door de meest officiële theatergroepen gezien als een van de vormen waaruit een theatermaker nou eenmaal kan kiezen. Sterker nog: locatietheater is een sterk middel gebleken waarmee een gezelschap zich kan wortelen in een regio, en waarmee het een groot publiek aan zich kan binden. In een tijd waarin theatergroepen hun bestaansrecht meer dan ooit moeten legitimeren uit publiekscijfers en de wisselwerking met een maatschappelijke context, blijkt locatietheater een dankbare vorm.
Ook artistiek blijkt het een steeds meer bevredigende manier van theatermaken. Het (stedelijke) landschap biedt het theater niet alleen een spectaculair decor, maar ook een geschiedenis die er soms om vráágt om verteld te worden. Een specifieke locatie geeft een regisseur de legitimering om locale en volkse elementen te verweven met stukken uit het artistieke repertoire, wat aansluit bij de toenemende verstrengeling tussen de hoge en de lage cultuur, en tussen de officiële geschiedschrijving en de apocriefe verhalen. Zo werd in Orfeo Aqua de Griekse mythe verbonden met Friese volksverhalen over doden die weer terugkomen, zodat de opera ook inhoudelijk wortel schoot op die plek. Ook de voortschrijdende techniek maakt locatietheater steeds aantrekkelijker voor regisseurs. Wat in eerste instantie een grove kunstvorm was die het vooral moest hebben van visuele effecten, is uitgegroeid tot een fijngevoelig medium dat zelfs in weidse landschappen intimiteit kan suggereren. Productioneel was Orfeo Aqua een uniek hoogstandje, met de bouw van een bereikbaar onderwaterbassin in een natuurlijk meer, met de zware werkomstandigheden, de nachtelijke werkuren en het speciaal gebouwde treinstation aan de rand van het meer, waar extra treinen naar toe gingen. Maar wie terugkijkt in de tijd, ziet dat er in de afgelopen twintig jaar op allerlei manieren is ‘geoefend’ met producties die op onderdelen vergelijkbaar waren. Festivals, gezelschappen en theaters hebben ervaring opgedaan met het organiseren van projecten op plekken die daar niet voor zijn ingericht. Bedrijven hebben ervaring opgebouwd met het sponsoren van theatrale buiten-evenementen. Het publiek heeft ervaring opgedaan met het trotseren van grote afstanden, onbegaanbare paden, nachtelijke kou en slecht weer, omdat het zo langzamerhand op durft te vertrouwen dat er best eens iets unieks in het verschiet kan liggen.

Ervaring in Noord-Nederland

Een groot deel van die ervaring is opgedaan in de drie noordelijke provincies. In aanmerking genomen dat hier – vergeleken met de Randstad – relatief weinig gesubsidieerd theater wordt gemaakt is er in het Noorden verhoudingsgewijs veel theater buiten de schouwburgen gemaakt. Wie de kaart van Noord-Nederland bekijkt, ziet dat in de afgelopen twintig jaar de meest afgelegen plekken in het stedelijke en buitensteedse landschap door het theater zijn ‘bespeeld’. Bij de twee grote gezelschappen in Groningen en Friesland is locatietheater een levendig onderdeel van de eigen producties. Het Noord Nederlands Toneel (NNT) bespeelt niet alleen de schouwburgen, maar heeft daarnaast de voormalige Machinefabriek betrokken en tot speelplek omgebouwd. Verder realiseert het gezelschap regelmatig een productie op een bijzondere plek binnen of buiten de stad. Tryater heeft onder artistiek leider Jos Thie een naam opgebouwd met grootschalige locatieproducties als Abe!, Peer Gynt en Orfeo Aqua. Zoals er meer groepen, regisseurs, en culturele ondernemers zijn die ervoor hebben gezorgd dat er in het Noorden een opvallend goed klimaat heerst voor locatietheater.
In dit artikel worden een aantal gebeurtenissen en gezelschappen aangestipt die bijgedragen hebben tot dit positieve klimaat. Een compleet overzicht zal hier niet worden gegeven. Het is een eerste aanzet tot geschiedschrijving over locatietheater in Noord-Nederland. De gezelschappen of evenementen die aan bod komen, zijn uitgekozen omdat ze een specifieke plek innemen, of een nieuw element introduceerden. Terugblikkend blijkt 1984 een belangrijk jaar te zijn. In dat jaar vond het Groninger Manifest plaats, een kunstmanifestatie waarmee Groningen zichzelf artistiek op de kaart wilde zetten, en die twee belangrijke locatieprojecten bevatte. Daarom heb ik 1984 als uitgangspunt genomen om van daaruit lijnen te trekken naar het heden.
Een aantal factoren die hebben bijgedragen tot het gunstige klimaat voor locatietheater in het Noorden van Nederland, komt daarbij ter sprake. Die factoren zijn:
* de behoefte van culturele ondernemers om Noord-Nederland op de kaart te zetten
* het sterke verenigingsleven in Noord-Nederland
* de schoonheid van het landschap
* de beschikbaarheid van stukken braakliggend land of leegstaande gebouwen
* de aanwezigheid van een opleiding voor theatervormgeving
* in het geval van Friesland: een sterke regionale identiteit
Daarnaast kun je constateren dat er in Noord-Nederland locatietheater is gemaakt vanuit verschillende drijfveren. Vijf drijfveren worden in dit artikel gebruikt om de locatie-evenementen in Noord-Nederland te ordenen. Dat zijn achtereenvolgens: de beeldende kracht van een gebouw of stadslocatie, het opzoeken van nieuw publiek, het vertellen van de geschiedenis van een plek en het versterken van de regionale cultuur.

De beeldende kracht van een gebouw

Een belangrijk motief om een locatieproject te initiëren is het uitbuiten van de theatrale kracht of de royale ruimte van een gebouw of stadslocatie. Vooral in de begintijd van het locatietheater kwam dit veel voor. Een voorstelling begint dan bij het vinden, of in het geval van A Star is Born: het creëren van een te bespelen plek in de stad. De relatie tussen de inhoud van de voorstelling en de speelplek ligt voornamelijk op het beeldende vlak.

Jules Verne: een innerlijk landschap in een ingepakte Oosterpoort

De eerste keer dat een grootschalig locatieproject toeschouwers uit heel Nederland naar het Noorden deed toestromen, betrof de schepping van een voor de gelegenheid geïmporteerde Vlaming. Regisseur Franz Marijnen had in Rotterdam naam gemaakt met visueel overdonderende voorstellingen die on-Nederlands illusionistisch waren, en on-Nederlands ambitieus van opzet. De initiatiefnemers voor het Groningse project waren Anton Smit, toen directeur van de Noordelijke Toneelvoorziening, en Ton Post, de directeur van cultureel centrum de Oosterpoort. Dit gebouw werd ter gelegenheid van Jules Verne van de buitenkant helemaal ingepakt alsof het een kunstwerk betrof van landschapskunstenaar Christo. De eerste en in de laatste scène van Jules Verne vonden buiten plaats, en maakten de stad rondom de Oosterpoort deel van het decor. Het begin van de voorstelling vond plaats op het dak van het ingepakte gebouw, waar het publiek per container naartoe werd gehesen. Boven stond tegen de skyline van Groningen een 19de eeuwse heteluchtballon te wachten op vertrek. Bij het einde van de voorstelling stond het publiek buiten te kijken. Op de hoge witte wand van de ingepakte Oosterpoort was winters landschap geprojecteerd, waar je een eenzame figuur een berg zag beklimmen. Een mooie manier om de illusies uit de voorstelling op te laten gaan in het grootsteedse landschap.
Maar het grootste deel van de tijd was het publiek binnen in de Oosterpoort, en moest het vooral vergeten dat het zich in een stadse locatie bevond. Binnen had Marijnen samen met zijn vaste vormgever Jean-Marie Fiévez een reeks monumentale taferelen gecreëerd waar het publiek op een vaste route langs en doorheen liep alsof het een pretpark betrof. Het publiek moest tegen de wind in lopen, gleed langs een enorme glijbaan naar beneden, werd het ene moment verder gelokt door het geluid van stromend water en het andere moment door gestalten die in de verte verdwenen. Onderweg kon het zich vergapen aan surrealistische scènes uit het leven en het werk van Jules Verne: naakte nimfen in een aquarium, een knippende kantoorklerk in een landschap van kranten, of kapitein Nemo aan zijn orgel. Van een grot in het binnenste der aarde belandde men op de bodem van de zee.
De manier waarop de ruimte was gebruikt, was het meest bijzondere van de voorstelling. Alle hoeken en gaten van de Oosterpoort waren tot mogelijk speelvlak geworden. Het publiek liep door een labyrint van zwarte gangen, en verloor alle oriëntatie binnen het gebouw. De hoge entree met de trappen was getransformeerd in een enorme bibliotheek. Doorkijkjes, zoals bij de foyer, waren gebruikt om het publiek te laten kijken naar een tafereel dat zich onbereikbaar achter glas afspeelde, zoals het moment waarop Jules Verne samen met de toeschouwers dwars door spuitende fonteinen zijn familie terugzag in een sprookjesachtige tuin. Een deel van die taferelen was het resultaat van een autonome bijdrage door beeldend kunstenaars, waaronder Barbara Bloom, Thom Puckey, Jeffrey Shaw en Henk Kraayenzank, over wie later meer.
Het unieke gebruik van de Oosterpoort verbond het driedimensionele prentenboek van Marijnen en Fiévez – dat feitelijk op elke andere plek gerealiseerd had kunnen worden – met het Groningse gebouw. De vele Groningse medewerkers, waaronder het Noordelijk Filharmonisch Orkest en dansers van de Noord Nederlandse Dansgroep, gaven Jules Verne nog meer binding met de stad. Ook was er bewust voor gekozen om de landelijk bekende Peter Tuinman, die de titelheld speelde, een locale held als tegenspeler te geven: de uitgever van Jules Verne, tevens een soort vaderfiguur van de titelheld, werd gespeeld door de ‘noordelijke’ acteur Marius Monkau.

Babylon: een Arabische stad in de Minerva Academie

Matthijs Rümke, de regisseur die de laatste jaren veel bij het NNT heeft gedaan maar binnenkort naar Brabant vertrekt om het Zuidelijk Toneel te leiden, opende in 1984 de nieuwe Groningse Stadsschouwburg met een kindervoorstelling. Hij zou een jaar later het opmerkelijk project Babylon regisseren dat plaatsvond in het gebouw van Academie Minerva. Daar kreeg in die tijd de opleiding theatervormgeving gestalte. Studenten van deze opleiding creëerden de theatrale beelden waaruit Babylon was opgebouwd. Het uitgangspunt voor de vier uur durende voorstelling was de labyrintische bouw van de Academie, die met al haar gangen en trappetjes de associaties opriep van een Arabische stad. Bezoekers konden ruimtes betreden, er waren doorlopende presentaties, en korte voorstellingen waarbij de deur dicht ging. Een portier hield dan buiten de wacht.

Out of Frames: vormgeving op een stadslocatie

Academie Minerva was ook de uitvalsbasis voor een groot opgezet locatieproject in 1991, dat helemaal gestart was vanuit theatervormgeving. Opleidingen voor theatervormgeving uit verschillende landen werden uitgenodigd om een voorstelling te maken op in totaal acht locaties in Groningen. Nederlandse regisseurs, waaronder Matthijs Rümke, Jos Thie en Javier Lopéz-Pinon waren aangetrokken om de producties te regisseren. Het thema van de presentaties was ‘de stad’. Studenten van Minerva realiseerden zelf de voorstelling Emma, naar een boek van Paul Auster over de verschillende lagen in een samenleving. Bij een Gronings viaduct realiseerden de vormgevers een speelvlak dat uit vier lagen bestond: de begane grond, in een gebouw, op een gebouw en op het viaduct. De voorstelling, die geregisseerd werd door Jos Thie, ging over een vrouw die om haar gestorven man te kunnen begraven, de vier lagen van het decor (de samenleving) moest bestijgen. Engelse theatervormgevers realiseerden een voorstelling in een voormalige graanpakhuis, de Finnen zaten in houthandel Nanninga en de Polen in een parkeergarage.

A Star is Born

In augustus en september 1996 vond er in Groningen een locatieproject plaats dat zorgde voor permanente ruimtelijke ingrepen in de stad. Out of Frames werd op touw gezet door de gemeente Groningen in samenwerking met het Groninger Museum, ter gelegenheid van een grootscheepse herinrichting van de openbare ruimte van de stad. De stad wilde een feestje geven terwijl de werkzaamheden nog in volle gang waren, ‘zoals een gebouw-in-aanbouw’ zijn hoogste punt viert’. Internationaal bekende architecten werden gevraagd om in de stad een podium te bouwen. De Japanse architect Fumihiko Maki ontwierp samen met de Vlaamse regisseur Dora van der Groen een drijvend paviljoen, dat bedoeld was als ‘een oase van rust’. William Alsop en Bruce McLean maakten een mobiel podium met een kleurrijke achterwand, dat de stad naar believen ergens kan neerzetten. Erwin Olaf ontwierp samen met het Office for Metropolitan Architecture (Rem Koolhaas en Gro Bonesmo) een plein met een openbaar toilet. De Spaanse architect Manuel de Solá-Morales zorgde voor een herinrichting van de Winschoterkade. Zes weken lang leverde A Star is Born de speelplekken, maar ook elders in de stad werd gespeeld. Er was theater in de openlucht, muziek en literatuur door amateurs en professionele kunstenaars. Het was aan de optredende kunstenaars om zelf hun voorstellingen aan te passen aan de architectonische creaties. Bij de ene voorstelling lukte dat beter dan bij de andere.

Het beeldend vertellen van de geschiedenis van een plek

Bij de tot nu toe besproken projecten werd een locatie gebruikt vanwege visuele en ruimtelijke kwaliteiten. Maar in de loop van de afgelopen twintig jaar is locatietheater steeds meer gebruikt om óók de geschiedenis te vertellen van een speelplek. Daarmee krijgt een voorstelling een sterkere verankering in de plek.

Deining: een scheepswerf komt nog één keer tot leven

Het Jules Verne-project in 1984 was ook andere visueel ingestelde theaterkunstenaars de inspiratiebron voor een grootschalig locatieproject. Maar dan rauwer, en meer geworteld in de locatie, bedachten Ron Visser en Ron Glasbeek toen ze Jules Verne zagen. Drie jaar later vond het ‘Beeldend Muziek Theater Project’ Deining plaats.
op het terrein van de vroegere scheepswerf Niestern, aan het Groningse Eemskanaal. Visser en Glasbeek (de een docent expressie en ruimtelijke vormgeving, de ander musicus en docent tekenen) verdiepten zich in de geschiedenis van de scheepswerf, waar tot 1974 grote schepen werden gebouwd en gerepareerd. Sinds de sluiting stond de werf leeg en was compleet vervallen. Voordat er op die plek een woonwijk zou verrijzen, moest Deining de werf eenmalig de glans geven die deze in het verleden had. De makers lieten zich inspireren door de pioniersgeest van de oude Niestern, die de scheepswerf indertijd heeft laten bouwen. In de grote loods van het terrein herrees een gigantisch ‘droomschip’, nu als onderdeel van een verhaal.
Toeschouwers werden per rondvaartboot afgehaald van het Groningse centraal station. In de baai bij Niestern lag een horecaschip voor een drankje in de pauze. Na een uur of twee werd het publiek weer teruggebracht bij het beginpunt.
Er deden meer dan honderd amateurs mee uit Groningen en omstreken, zoals de dertig man tellende Provinciale Brassband en een bergbeklimmersclub. Die amateurs stonden onder leiding van professionele regisseurs, vormgevers en een dirigent. Met elkaar vertelden ze het verhaal, over een door ambitie gedreven scheepsbouwer, zijn zoon en zijn vrouw. Daar kwam dans, muziek en toneel bij, maar de beelden waren het belangrijkste. Er werden grote objecten opgeblazen, en enorme taferelen in vertraging getoond. Deuren openden zich plotseling zodat het uitzicht zich tot buiten uitstrekte, en figuren kwamen uit het water tevoorschijn.

Een historische dag: een ‘andersom- parade’

Henk Kraayenzank was in 1984 een van de kunstenaars die een tafereel creëerden voor Jules Verne. Van zijn hand was het landschap van kranten dat een ruimte bovenin de Oosterpoort in beslag nam. Kraayenzank schildert, maakt objecten en doet het licht en/of het décor voor theater- en dansproducties. Hij werkt regelmatig op locatie. Maakte voor Voor Rosmersholm van het Noord Nederlands Toneel (1991) bijvoorbeeld een transportable theater dat bij Dokwerd werd neergezet, en dat een uitzicht bood over het vlakke land.
In 1997 maakte Kraayenzank voor het Groningse locatieproject De Engel en de Duizend Doden (een tekst van Bouke Oldenhof en regie van Jack Nieborg) een enorme houten ‘doos’ die tegen de A-kerk was aangebouw. Publiek ging via de kerk de doos in, en maakte net als bij Jules Verne een reis door een labyrint van gangen.
Maar Henk Kraayenzank heeft ook een aantal bijzondere theatrale evenementen gerealiseerd waarbij het verhaal werd verteld door een grootscheepse vormgeving. In 1989 creëerde en regisseerde hij – op verzoek van initiatiefnemer Diederik van der Meide, en samen met choreograaf Bob Folz – midden in Groningen het eenmalige project Een historische dag. Zo’n 30.000 bezoekers zagen op het Lage der A de geschiedenis van de Groningse Universiteit aan zich voorbij trekken. De aanleiding voor het project was de viering van het 375-jarige bestaan van de universiteit. Het was geïnspireerd op de historische optochten, waarbij geestelijken en wetenschappers met allerlei objecten door de stad paradeerden. Een historische dag was een ‘andersom-parade’: die zich op één plek afspeelde. De voorstelling, die op die ene historische dag in 1989 tien keer werd gespeeld, begon in de duistere middeleeuwen, met ridders op boten, ging via onder andere de baroktijd, de opkomst van de industriële revolutie en de hippietijd naar het heden. De gevels van het Lage der A vormden de achterwand van het ‘toneelbeeld’. Het Werkmanshuis dat daar staat was helemaal ingepakt, net als de Oosterpoort bij Jules Verne. Er stonden metershoge steigers, waarmee het aanzien van de gevels werd veranderd. Met een timpaan en zuilen die in de steigers werden gehesen, werd de oprichting van de Universiteit verbeeld. De brand van 1905 was een rood doek dat de universiteit afdekte, met daar bovenop een bengaals vuur van 19 meter breed. Zo’n driehonderd figuranten, vooral van de universiteit, voerden de taferelen uit. Er was geen tekst, wel een geluidsband en een koor. Bijzonder was, dat dit een heel Gronings project was, in tegenstelling tot Jules Verne. Het was bovendien een visueel spektakel dat haar inspiratie haalde uit de plaatselijke geschiedenis.

Watergang: een theaterstad in het slib

In 1994 ging Kraayenzank nog een stap verder in deze richting. Hij vertelde de geschiedenis van Groningen niet in de stad, maar erbuiten, in een kunstmatig gecreëerd theatraal bouwsel. In het voormalige grondbergingsgebied in het land rond het Aduarderdiep – ten noordwesten van Groningen – liet Kraayenzank een vijfhoekige gracht graven die wel zeshonderd meter lang was en omgeven door metershoge dijken en wallen. Op het eiland in het midden voltrokken zich allerlei taferelen, gebaseerd op volksverhalen, mythen en legenden rondom de Martinistad. Het publiek werd op dekschuiten met tribunes rondgevaren, en trok voorbij aan acteurs in berevellen, monniken die een dijk bouwen rond een verdronken dorp, aan scènes uit de Beeldenstorm en de belegering van de stad. De geschiedenis eindigde in 1594, het jaar waarin Groningen op de Spanjaarden werd veroverd. Aan het eind van de bootreis stapten de toeschouwers aan land, en begaven zich in een druk middeleeuws stadsgewoel tussen waarzeggers, kaartleggers en een ronddraaiend varken aan het spit. Zo’n 35 decorbouwers en 90 acteurs werkten mee aan het gigantische project, dat liet zien hoe je ook op een afgelegen locatie de geschiedenis kunt vertellen van de stad even verderop.

Het opzoeken van een nieuw publiek

In tegenstelling tot de Randstad kent het Noord-Nederland grote gebieden die dun bevolkt zijn. Om ook de mensen buiten de steden te bereiken, zijn er in de afgelopen twintig jaar allerlei initiatieven ontplooid. Het Groningse Grand Theatre bijvoorbeeld, is in 1993, toen het theater een jaar dicht was wegens een verbouwing, begonnen met een tournee langs dorpshuizen, kerkjes en zaaltjes in de noordelijke provincies. Daar wordt zo nu en dan een speciaal project voor ontwikkeld, zoals Graan naar het boek van Frank Westerman, een voorstelling met twee spelers die ook liedjes zongen (geschreven door Jan Veldman, een schrijver die bij heel veel locatieprojecten in het Noorden opduikt.) Maar het theater is om meer manieren naar de mensen toe gekomen.

Hoogspanning en Hartstocht: een theatrale treinreis tussen stad en ommeland

Terug naar 1984. In hetzelfde Groninger Manifest dat Jules Verne mogelijk maakte, vond Hoogspanning en Hartstocht plaats. Een vier uur durende treinreis van Groningen naar Delfzijl en terug, die voorzag in een maaltijd in de haven van Delfzijl. Met de voorstelling werd het honderdjarige bestaan gevierd van de betreffende spoorlijn. In drie treinwagons, maar ook langs de spoorweg en op de tussengelegen stations, kreeg het publiek taferelen te zien uit het verhaal over een Groningse stadsjongen die op de Pinksterfeesten in Delfzijl een dorps meisje ontmoet. Noordelijk Theater De Voorziening was medeproducent van de voorstelling, maar de bedenkers, de regisseur en de belangrijkste spelers waren lid van de Australische groep K.I.S.S. Deze groep, geleid door Jean-Pierre Voos, was bekend vanwege spraakmakend ‘totaaltheater’, had enige tijd in Leeuwarden gebivakkeerd en werkte in 1984 vanuit de gebouwen van De Voorziening. De voorstelling ging over de tegenstelling tussen de grote stad en het platteland, tussen ‘stadjers’ en ‘ommelanders’. Een tegenstelling die raakt aan de geschiedenis van het spoortraject dat op het platteland wel werd ervaren als een coupe van de stad. Scenarioschrijver Harry Huizing liet de jongens van het platteland een poging doen om te verhinderen dat de stadse jongen zijn meisje zou vinden. Huizing betrok elementen uit de plaatselijke folklore in zijn script. Het helderziende, Delfzijlse vrouw ‘Oaffie uit de beuzelkniep’, die het einde van de Franse overheersing schijnt te hebben voorspeld, kreeg bijvoorbeeld een plek in de voorstelling. De vele medewerkers werden ter plekke gezocht. Beeldend kunstenaars maakten objecten voor langs de spoorlijn. Vooral op de donkere terugreis gaven lichtgevende kunstwerken het landschap een magisch tintje. Daarnaast maakte Hartstocht en Hoogspanning op een slimme manier gebruik van de energie en de kunde van de amateurs op de route. Toneel-, zang- en dansverenigingen, maar ook de paardrijclub en de motorclub werden uitgenodigd om een bijdrage te leveren. De stadsjongeren waren modieuze, punkachtige figuren, de ommelanders profileerden zich met dans en met ‘motorbrozems’.

Theater te Water: toneel in een boot voor je deur

Tijdens het Groninger Manifest in 1984, bracht een opmerkelijke theatergroep die twee jaar eerder was opgericht, haar eerste echte voorstelling uit. Theater te Water speelde op de klipperaak van regisseur Just Vink Shakespeares Romeo en Julia in een speciale bootversie: Verzopen Liefde. Vink besloot met zijn klipperaak theater te gaan maken uit onvrede uit het elitaire karakter van deze kunstvorm. Bijzonder is, dat Vink er met zijn spelers (en aanvankelijk ook met schrijver Jan Veldman) in slaagt om een brug te slaan tussen de wereldliteratuur en het volkstheater. Dit gebeurde vaak met een knipoog naar het verenigingsleven. De Dames-Macbeth werd bijvoorbeeld zogenaamd gespeeld door huisvrouwentoneelvereniging ‘Borst Vooruit’. Bij Zestig kregen de bezoekers op de loopplank een papier met een liedtekst in de handen gedrukt. Ze speelden ineens de vaste klanten van ‘De Bruine Schuit’, die caféhoudster Annie met een lied willen verrassen omdat ze zestig is geworden. Bij De bruiloft van Figaro was het toneelstuk van Beaumarchais in een kapsalon gesitueerd, en bezoekers werden binnengehaald alsof het allemaal klanten waren met een afspraak. Theater te Water wisselde Shakespeare af met modern toneel, en een zelfgeschreven klucht, met een zelfgemaakt toneelstuk over Fausto Coppi. Met de klipperaak als reizend theater reist het gezelschap door Groningen, Friesland en Drenthe. De speellijst vermeldt plekken als: ‘Oranjedorp bij de brug’, of ‘Meppel Stoombootkade’ ‘Leekstermeer vanaf Watersportbedrijf Cnossen’. In de winter reist Theater te Water regelmatig dorpshuizen en café’s af. Bij zomerfestivals verschijnt de boot ook wel eens in de Randstad.

Het gebruiken van regionale cultuur

Theater is in het Noord-Nederland een dankbaar middel om de regionale cultuur te bevestigen. In de loop van de twintig jaar die dit artikel bestrijkt, is er steeds meer locatietheater gemaakt vanuit de behoefte om een plek te geven aan verdwijnende verhalen de identiteit van een regio mede hebben gevormd.

Oerol: van landschap naar geschiedenis

In 1984, het jaar van het Groninger Manifest, vond het Terschellingse Oerolfestival voor de vierde keer plaats. De eerste afleveringen bestonden vooral uit muziek en straattheater. Vanaf 1982 was ‘locatietheater’ een categorie in het programma. Het ging in de begintijd om beeldend theater dat zich voltrok op een mooie plek aan het strand of in de duinen, en het landschap werd aangesproken op haar schoonheid. In 1984 bevatte die categorie één voorstelling van Shusaku Takeuchi en zijn Dormu Dansers, maar ook Trajekt en de Dogtroep maakten in die eerste jaren locatietheater op Oerol. Door de jaren heen heeft de Dogtroep net als het festival een ontwikkeling doorgemaakt naar een meer historische benadering van een plek. Niet alleen het landschap, maar ook de samenleving werd in speciaal voor Oerol gemaakte voorstellingen betrokken. Tenderde maakte bijvoorbeeld in 1997 een productie over een oud Terschellinger gebruik: met de huifkar uit piknikken met de buren, en in 1998 over de geschiedenis van het plaatselijke reddingswezen. Een hoogtepunt in het Oerolse aanbod van locatievoorstellingen was Peer Gynt van Tryater, waarbij het bekende toneelstuk was herschreven en vermengd met de elementen en figuren uit de Terschellingse volksverhalen. Joop Mulder, de initiator, directeur en programmeur van het festival, startte samen met Cliff McLucas, de artistiek leider van de groep Brith Gof, het project Mapping the Landscape, het in kaart brengen van Terschelling en haar gemeenschap. Het was de bedoeling in drie jaar tijd het eiland op multimediale wijze in beeld te brengen, de eilanders te fotograferen en het landschap te ontrafelen. Helaas overleed Cliff McLucas aan een hersentumor en maakt Joop het project in de komende jaren af. Momenteel is het festival zo’n gewilde plek dat zelfs de honkvaste Haagse groep De Appel er onlangs een voorstelling is komen maken. Hun Trojaanse Vrouwen was wél bewerkt en aangepast aan de eilander locatie de Noordsvaarder!

Te gast in de Graanrepubliek: een luchthaven van de gedachte

Theatermaker en –vormgever Sjoerd Wagenaar volgde ten tijde van Out of Frames Academie Minerva. In 1994 werkte hij mee aan Henk Kraayenzanks Watergang. Sindsdien heeft Wagenaar naam gemaakt met bijzondere producties waarbij de vormgeving een grote rol speelt, zoals de Zapp-snacks die hij bij het Grand Theatre realiseerde. In toenemende mate is hij bezig met de geschiedenis van de plekken waar hij speelt. Daar gaat ook zijn PeerGrouP zich mee bezighouden, een in het Drentse Gasselte gestationeerd initiatief dat recentelijk van de Raad voor Cultuur een positief advies voor structurele subsidie kreeg. In 1997 maakte Wagenaar op Oerol een voorstelling over de sterke verhalen van Terschelling die verteld werden op het leugenbankje van Het Wakend Oog. De acteurs in deze productie hielpen mee met het verzamelen van de verhalen, die ze vertelden terwijl ze een meterslange maquette van Terschelling aan het inrichten waren.
In 2000 maakte Wagenaar in een oude locomotievenremise in Nieuweschans de voorstelling Te gast in de graanrepubliek. Een project dat gebaseerd was op het boek van Frank Westerman over het Oost-Groningse communisme en de gevolgen van de industrialisatie. Vanuit de remise, waar Wagenaar een half jaar werkte, betrok hij de locale bevolking bij zijn onderzoek. Niet alleen de Oost-Groningers, maar ook Armeense asielzoekers die gevlucht zijn voor het communisme. In één weekend presenteerden de medewerkers hun bevindingen. In de remise liet een enorm projectiedoek het gevonden materiaal zien. Er stonden bovendien bussen klaar om de bezoekers mee te nemen naar omringende dorpen, waar presentaties waren. Terug in de remise, die Wagenaar een ‘luchthaven van de gedachten’ noemde, kon er een nieuwe bus worden genomen naar een andere deel van de (plaatselijke) geschiedenis.

Tryater: de Friese identiteit in theater verbeeld

De oudste theatergroep in het Nederlandse toneelbestel is gevestigd in Leeuwarden. Daar werd, in een café, op de eerste dag van 1963, In slet fan tsien dollar opgevoerd: Sartre in het Fries. Twee jaar later was er uit dat initiatief een groep ontstaan die zich eerste de Fryske Toanielstifting noemde, en later Tryater. Het groepje speelde in het Fries vertaald klassiek en modern repertoire in oude melkfabrieken, in café’s en in dorpshuizen. In bijna veertig jaar ontwikkelde Tryater zich tot een volwaardig, professioneel gezelschap dat nog altijd probeert om midden in de Friese samenleving te staan. Niet alleen door er te spelen, maar ook door haar geschiedenis en verhalen te vertellen. Tryater liet regelmatig originele Friese stukken schrijven, over Friese helden en gebeurtenissen. (In 1984 speelde de groep bijvoorbeeld een stuk over Pieter Jelle Troelstra.) De naam van Tryater als producent van grootschalige locatievoorstellingen werd gevestigd onder de voorlaatste artistiek leider Jos Thie. Hij weet als regisseur liefde voor het volkstheater te verbinden aan visuele verbeeldingskracht én voor de grote mythische verhalen uit de plaatselijke en wereldlijke cultuur. Abe! uit 1995, zijn eerste grote spektakel bij Tryater, was gebaseerd op de sterke verhalen die de Friezen koesteren omtrent voetbalheld Abe Lenstra. Samen met vormgever Peter de Kimpe, lichtontwerper Henk van der Geest en geluidsman Piet Nieuwint (het team van Orfeo Aqua) herschept Thie de mythe in een voetbalstadion, waar surrealistische beelden worden verweven met een geënsceneerde wedstrijd. Zo’n 11.000 mensen konden de voorstelling per keer bijwonen! Er deed een showdrumband mee, een koor (De Sneeker Cantorij) en een plaatselijke dansschool. Het stadion werd omgetoverd tot een golvende zee met een bootje erop, er verscheen een helikopter op het veld en er werd gekoorddanst. Een circusachtig spektakel dus, dat toch één geschiedenis vertelde. De geschiedenis van Abe Lenstra, maar ook van het stadion waarin publiek en spelers samen waren gekomen
Vier jaar later creërde bijna hetzelfde team een Terschellings versie van Peer Gynt aan het strand van het eiland. Het stuk was herschreven naar de eilandmythen. Figuren uit het verhaal doken op uit het zand, verdubbelden zich in de verte of reden met paard-en-wagen langs. Het uitzicht over de duinen werd bespeeld tot waar je kon kijken, met kleine taferelen die de mens als nietig wezen toonden in een overrompelend landschap. Visueel was deze voorstelling minstens zo overdonderend als het Jules Verne-project van twintig jaar geleden. Maar tegenover het innerlijke landschap van Jules Verne, dat bezoekers de omgeving deed vergeten, stond hier het tastbare Terschellingse landschap wakker gekust. De Peer Gynt van Tryater verrees uit de duinen en verdween er weer in. Het landschap was geen achtergrond, het was de bron waaruit de verbeelding ontstond. Alsof de mythen die het landschap verborg, voor de duur van een voorstelling werden wakker gekust.

De auteur is dramaturg en theaterjournalist bij Vrij Nederland.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
€37,50