Soms moet je durven zeggen: afblijven

Een archeoloog die liever geen opgravingen doet? Jan Molema van het commerciële adviesbureau RAAP in Leeuwarden meent het serieus. In de hedendaagse archeologie is het volkomen vanzelfsprekend om archeologisch interessante resten met rust te laten. ‘Er zijn al zoveel terreinen verstoord en wetenschappelijk gezien is er lang niet altijd reden om materiaal nader te bestuderen.’

TEKST
Annemarie Kok

Aansluitend bij het rijksbeleid dat archeologische vindplaatsen intact worden gelaten, doet RAAP vanuit vijf vestigingen in het hele land ‘non-destructief’ onderzoek naar terpen, wierden, verdwenen kastelen, kerken, kloosters en andere overblijfselen van vroegere menselijke activiteit. Molema is sinds drie jaar senior projectleider bij het kantoor in Friesland. Archeologisch onderzoek is een van de specialiteiten van het bureau, naast historisch-geografisch en bouwhistorisch onderzoek. Op verzoek worden de drie benaderingen samengevoegd voor een integraal ‘cultuurhistorisch advies’.
‘Hoewel het Verdrag van Malta nog niet bindend is, zien veel gemeenten al wel in dat het slim is al in de eerste fase van ruimtelijke planvorming een blik onder het maaiveld te werpen. Immers, als men pas tijdens het graven of bouwen op iets van mogelijke waarde stuit, moet dat worden gemeld bij de Rijksdienst Oudheidkundig Bodemderzoek (ROB) en bestaat de kans dat een project tijdelijk moet worden stilgelegd voor archeologisch speurwerk. Het is alleen al uit financieel oogpunt dus verstandig ons zo vroeg mogelijk in te schakelen.’
Verder krijgt RAAP het steeds drukker met het schrijven van beleidsnota’s voor gemeenten. Die moeten in het kader van ‘Malta’ een eigen archeologiebeleid ontwikkelen. En als het verdrag in werking treedt, moeten straks ook particulieren aan de archeologische toets geloven. ‘Men kan ons dan bijvoorbeeld inschakelen voor een ‘archeologische schonegrondverklaring’, in geval van verkoop van een perceel.’

Grondboringen

Het prospectieve onderzoek dat zijn bureau uitvoert, is meestal routinematig en vaak weinig romantisch, vertelt Molema. ‘Per dag worden er in de drie noordelijke provincies zo’n veertig grondboringen verricht.’ Van de inhoud van een boor wordt een haarscherpe doorsnede gemaakt, waarna analyse van het profiel plaatsvindt. Stukjes bot, scherfjes aardewerk, brokjes houtskool of vuursteen, een laagje bagger of puin, de kenner ziet al snel of er sprake is van archeologische sporen.

Asingaborg in Loppersum

Maar er zijn meer instrumenten voorhanden. In bepaalde situaties is geofysisch onderzoek de aangewezen weg. ‘Enige tijd geleden wilde de gemeente Loppersum een plantsoentje fatsoeneren dat op een wierde ligt. Vanwege de beschermde status van de wierde was archeologisch onderzoek vereist. Bekend was bovendien dat de Asingaborg daar ergens heeft gestaan. Om de fundamenten precies te lokaliseren werden elektromagnetische metingen verricht. Met die techniek kunnen onder meer pottenbakovens of bakstenen muren worden aangetoond, want die zijn zwak magnetisch.’
Op de apparatuur is een veldcomputer aangesloten. Deze produceert psychedelisch aandoende plaatjes: wazige, felgekleurde vlekken en contouren geven weer wat er ondergronds te zien is. In dit geval duidde een rode zone op de aanwezigheid van een toren (rond of vierkant). Eromheen was een gracht te ontwaren, laat Molema zien.
Weerstandsmetingen en elektromagnetische metingen zijn sinds een jaar of tien in zwang. Bij deze methoden zijn het verschillen in de elektrische weerstand en het geleidingsvermogen van de bodem die, ook weer op een beeldscherm, verstoringen in de natuurlijke bodemstructuur blootleggen. Voorwaarde is wel dat een terrein vrij is van boomwortels.

Veel bodemschatten

Veldwerk is lang niet altijd noodzakelijk. ‘We weten in welke gebieden de trefkans groot is. Zo barst het in Westerwolde en het Westerkwartier van materiaal uit de Steentijd, Bronstijd en IJzertijd. De Friese, Groningse en Drentse veengebieden herbergen veel middeleeuwse bodemschatten.’ Ligt een te onderzoeken locatie in zo’n gebied, dan kan met behulp van historische kaarten, luchtfoto’s en de databank van de ROB een zogeheten verwachtingsmodel voor archeologische waarden worden opgesteld. ‘Op een gewone luchtfoto kun je resten soms als het ware door het aardoppervlak heen zien schemeren. Dat kan komen door temperatuur-, vocht-, of reliëfverschillen. Het kan ook zijn dat de groei van gewassen op een bepaalde plaats afwijkend is. Als er iets in de grond zit, kan een gewas daar negatief op reageren.’

Niet overhoop halen

Ongeacht de gebruikte opsporingsmethode stelt RAAP als tweede stap de waarde van de vindplaats vast en verschijnt er een adviesrapport. In een enkel geval wordt aangeraden een plan geheel te schrappen. ‘Soms moet je durven zeggen: afblijven. Dat hebben we pas geleden de gemeente Franekeradeel aangeraden. Er was een plan om museum ’t Coopmanshûs te verplaatsen naar een kelder die men wilde aanleggen onder het stadshart van Franeker. Maar het centrum ligt op een terp en vermoedelijk is daar een middeleeuwse markt geweest, omgeven door stadsstinzen. Dat moet je niet overhoop halen, vonden wij.’

Vaak is het schipperen

RAAP is niet altijd zo streng in z’n adviezen, die trouwens haast altijd worden gevolgd. ‘We komen ook bodems tegen die totaal verstoord zijn, met her en der verspreide scherven aardewerk. Daar mag je van ons rustig doorheen fietsen.’
Meestal wordt echter geadviseerd een bijzondere vindlocatie in te passen in de plannen of er met een boog omheen te gaan. ‘Vaak is het schipperen. Zo moet er in Westerwolde nogal wat grond worden verzet voor de aanleg van de ecologische hoofdstructuur. Een onderdeel daarvan is het weer laten meanderen van het rechtgetrokken riviertje de Ruiten Aa. Zo’n project mag je niet frustreren. Maar het betreft hier wel een archeologisch ontzettend rijk gebied. Je hebt er urnenvelden, grafheuvels, middeleeuwse nederzettingen, oude essen en zogeheten celtic fields. In zo’n situatie kiezen we voor een verwachtingskaart waarop we de risico’s van verstoring zo precies mogelijk weergeven.’

Kasteel Selwerd

Het kan een aardige oplossing zijn een vindplaats te integreren in een ontwerp. Zo werd de oude Herepoort in de Herestraat in Groningen gemarkeerd door afwijkende bestrating en werd het kerkterrein van Houwingeham in de gemeente Reiderland als grasveldje opgenomen in een park. Het kan ook geprononceerder, zoals gaat gebeuren met kasteel Selwerd in Groningen.
Doorgaans vallen de in kaart gebrachte vindplaatsen echter niet op. Molema zou graag zien dat er meer informatiebordjes komen. Maar dan nog: waarom moeten deze oudheden behouden blijven als zelfs een archeoloog er geen behoefte aan heeft ze met het blote oog te aanschouwen? ‘Het is inderdaad lastig te verkopen dat zo’n plek met rust gelaten moet worden. Mensen zijn nu eenmaal sterk visueel ingesteld. De belangrijkste reden is dat het bronnen zijn van ons culturele verleden. En daar moet je zuinig op zijn. Gelukkig beseffen wel steeds meer mensen dat.’

De auteur is journalist van het dagblad Trouw, voor Noord-Nederland.

[…] ik een en ander opgezocht en wat blijkt: de naam Kalkman (die ik wel kende) is een synoniem voor Engelsmanplaat. Vooral in Wierum en omgeving wordt deze oude naam nog gebruikt, vanwege de vele schelpen (=kalk) […]

[…] armoedige maar ongedwongen vertoning heen. Het eenvoudige maar prima ontbijt maakt veel goed. Deze humoristische beschrijving van het hotel is ook […]

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
vanaf €37,50