In Noord-Nederland vinden we aan de oppervlakte een grote diversiteit aan bodemtypen. In deze serie wordt telkens een bodemprofiel of -fenomeen getoond en besproken, afkomstig uit de drie noordelijke provincies. Als u zelf een fraai bodemprofiel aantreft, bijvoorbeeld bij het graven van een sloot of bij het uitgraven van een plaats voor een nieuwbouwwoning, bericht dat dan aan de redactie van Noorderbreedte. Redacteur Gerrie Koopman neemt dan contact met u op.

Heel veel van wat we weten over de vroegere bewoners van de hogere zandgronden in Drenthe, heeft betrekking op graven en vooral op hun inhoud. Graven zijn in de archeologie altijd dankbare onderzoeksobjecten geweest. Na de hunebedden zijn grafheuvels, of tumuli, landschappelijk de meest in het oog springende grafmonumenten. Grafheuvels bestrijken verschillende archeologische perioden. Neolithische grafheuvels zijn de oudste en zijn in de meeste gevallen opgeworpen over een begraven lijk. Het meest talrijk zijn de grafheuvels uit de bronstijd. Naast lijkbegravingen vonden in deze periode ook lijkverbrandingen plaats. IJzertijdgrafheuvels zijn vaak kleiner en bedekten veelal urnengraven. Bij lijkbegravingen kreeg iedere dode weliswaar z’n eigen kuil, maar lang niet ieder graf werd bedekt of gemarkeerd door een heuvel. Graven zonder heuvel worden ‘vlakgraven’ genoemd en zijn meestal per toeval ontdekt. Grafheuvels zijn markante landschapselementen en zijn als zodanig zeer veel onderzocht. Professor A.E. van Giffen had de leiding van vele opgravingen die met name tijdens de jaren dertig hebben plaatsgevonden.

Lijksilhouet

Grafheuvels vertellen ons niet alleen iets over het dodenritueel in de betreffende periode, maar ook veel over de materiële cultuur. Met name de voorwerpen die men de dode meegaf, vertellen ons veel over het leven in de prehistorie. De menselijke resten, inclusief de grafgiften werden zo goed als altijd boven de grondwaterspiegel begraven. In het goed luchtdoorlatende zand werd alles van organische oorsprong door bodemorganismen verteerd of onder invloed van zuurstof chemisch geoxideerd. Wat bewaard bleef in de graven, zijn alleen de stenen voorwerpen en aardewerkpotten. Van het menselijke lichaam bleef na verloop van tijd zelfs het botmateriaal niet bewaard. In zeldzame gevallen is een donkere afdruk van het lijk in het zand achtergebleven. Op de foto hiernaast zien we zo’n ‘lijkschaduw’ of ‘lijksilhouet’.

Mannelijke en vrouwelijke graven

De bijgiften vormen indicaties voor het geslacht van de dode. Een graf dat zowel een beker, een strijdhamer, een bijl als een vuurstenen mes bevat, wordt als een behoorlijk rijk mannengraf beschouwd. Strijdhamers en bijlen zijn nou eenmaal typisch ‘mannelijke’ voorwerpen. Vrouwen moesten het vaak alleen doen met een beker en soms nog een klein mesje. Ook de houding van de dode geeft een aanwijzing. In de late Steentijd en vroege Bronstijd werden de doden liggend op de zijde begraven, met opgetrokken knieën. In hurkhouding dus, maar dan platgelegd. Meestal liggen ze in een ongeveer oost-west gerichte grafkuil. Opvallend in deze vroege tijd is dat de mannen op de rechter zijde liggen, met het hoofd naar het westen en kijkend naar het zuiden. De vrouwen liggen op hun linkerzij, met het hoofd in het oosten en dus eveneens naar het zuiden kijkend.

Spiegelbeeld van een dode

Bijgaande foto toont een lijksilhouet van ongeveer 1,80 meter lang die in 1932 aangetroffen werd bij de opgraving van een grafheuvel bij Elp. De grafheuvel was 1,5 meter hoog en had een diameter van 22 meter. Professor van Giffen merkte in zijn verslag van de opgraving op dat het bijgezette lijk zich bijzonder duidelijk aftekende. Opvallend was dat ‘den doode geene bijgaven waren meedegegeven, die den tand des tijds doorstaan hebben. Slechts een lancetvormige grondverkleuring, ter hoogte van de opgeheven hand, wees er op dat men bij of in de laatste nog een houten of beenen dolkje of een ander puntig voorwerp gelegd had’. Van Giffen dateerde het lijk op ongeveer het midden van de Bronstijd.
Van het gave lijksilhouet is destijds een zogenoemde lakfilm gemaakt. Van zandgrond is makkelijk een lakfilm te maken door het zandoppervlak te impregneren met speciale profiellak. De lak dringt enige millimeters in de poriën tussen de zandkorrels en lijmt de korrels aan elkaar. Na ongeveer een dag is de lijm taai opgedroogd en kan de verkitte laag zand van het oppervlak worden losgetrokken. Het resultaat bij het lijksilhouet is een zeer natuurgetrouwe afbeelding die op een houten plaat is geplakt. Met een lijstje erom vormt zo’n lakfilm een bijzonder decoratief ‘schilderij uit de bodem’. Een nadeel van dit proces is dat we bij een lakfilm een spiegelbeeld zien. Van Giffen heeft geen uitspraak gedaan over het geslacht van de dode, maar uitgaand van de eerder gedane beschrijving wordt hier een vrouw in mannenpositie getoond. Als u de dode uit Elp nog eens met eigen ogen op de originele lakfilm wilt bekijken dan kan dat dagelijks, want het lijkportret wordt permanent geëxposeerd in het Drents Museum in Assen.