De verveningen bij Trimunt en De Haar

Wie – als regel – met flinke snelheid over de A7 van Drachten naar Groningen rijdt, kruist de provinciegrens bij het viaduct De Scheiding (Fries: Skieding). Even later markeren links en rechts enkele lage bunkerrestanten het vroegere radarpeilstation Löwe van de Duitse Luftwaffe. Luttele seconden verderop herinnert een eenvoudig monument links van de weg langs een bosrand aan een standrechtelijke executie. Op 3 mei 1943 fusilleerden SS-ers hier zestien Nederlanders; als wraak op de boeren uit de nabije omgeving die mee hadden gewerkt aan de meistaking van dat jaar.

TEKST
Meindert Schroor

Boeren zijn er al eeuwen op deze plek. Maar er is niet alleen geboerd, bij Trimunt is ook verveend en wel onder de vleugels van een oude bekende: de stad Groningen.
Het verhaal van de verveningen in Groningen is, afgezien van de zestiende-eeuwse activiteiten van de Van Ewsum’s in de Nienoordse Venen bij Leek, vooral het verhaal van Zuidoost-Groningen. In dat deel van het gewest Stad en Lande zette de stad Groningen als overheid en landheer de toon. Burgemeesters en Raad lieten de hoogvenen ontsluiten en bepaalden er de vervenings- en verhuurvoorwaarden. De particuliere verveners richtten zich naar hun voorschriften, zowel in de venen die het eigendom waren van de stad (rond Sappemeer, Pekela en Stadskanaal), als in de niet-stadse venen rond Veendam en Wildervank.
Veel minder bekend is dat de stad ook elders in de provincie enkele veencomplexen bezat. Zo had Groningen veen in eigendom onder de voormalige kloosterplaats van de Grijzevrouwenpriorij (Cisterciënzerinnen) te Midwolda, in het Oldambt. Het waren slechts 160 deimten (95 hectare) veen, die omstreeks 1720 ‘aen Hollanders’ waren ‘uitgedaan’. Voor het overige werd dit veen – als onderdeel van de zogeheten venen van Ennemaborgh – pas na 1817, met de aanleg van de Hoofd- of Turfwijk, geheel vergraven en de turf verscheept. Ook in het uiterste zuidwesten van de provincie lagen stadsvenen bij Trimunt, pal tegen de grens met Friesland. Zij kwamen pas in de tweede helft van de achttiende eeuw in exploitatie en ook dit veen was afkomstig van een Cisterciënzerinnenpriorij.

Klooster

De naam Trimunt herinnert aan de hier omstreeks het midden van de dertiende eeuw gelegen priorij In Tribus Montibus, letterlijk Driebergen. Over het arme vrouwenkloostertje is weinig meer bekend dan dat het naderhand onder de abt van het machtige Cisterciënzerklooster Aduard viel. Bij de opheffing in 1594/95 telde de instelling nog een zestal nonnen. Toen werd hun bezit, waaronder ruim 2542 grazen (bijna 1100 hectare) land, heide en venen in de onmiddellijke omgeving als vijandig katholiek bezit ‘vervreemd’ door de Staten van Stad Groningen en Ommelanden. In 1617 kocht de stad deze bezittingen aan van de provincie. Het geheel werd globaal begrensd door de Leidijk (de grens tussen de gemeenten Marum en Grootegast) in het noorden, een rechte sloot pal ten westen van de Haarsterree in het oosten, en de destijds nog onbepaalde grens met Friesland in het zuiden en westen. De stad deed het geheel tegen een vaste prijs in de verhuur.
Het aaneengesloten voormalige kloosterland was in gebruik bij een viertal boerderijen. Daarvan lagen twee op de plek van de priorij aan de Kloosterweg. De beide andere plaatsen lagen eveneens in elkaars nabijheid, vlakbij de Haarsterweg. Dit was weinig meer dan een karrenpad over een zandrug of pas door het veen van Marum naar de in 1593 opgeworpen schans Friesche Palen.
Ten tijde van de aankoop door Groningen was al bekend dat in het gebied het nodige veen lag, maar het stadsbestuur liet dit ongemoeid. Daarvoor had het een aantal redenen. De belangrijkste was wel dat Groningen inmiddels verzekerd was van voldoende aanvoer van turf uit de venen in de vanaf 1612 ontwikkelde stadsveenkoloniën. Daar lagen uitstekende kanalen en voldoende veen. Burgemeesters en Raad hielden bovendien de turfproductie zo veel mogelijk onder controle om de prijs op peil te houden. Dat konden zij, omdat de stad alle belangrijke doorgaande kanalen en verlaten beheerste. De venen onder Trimunt en De Haar waren trouwens veel geringer van omvang dan die van bijvoorbeeld Sappemeer of de Pekela’s. Ze lagen vanuit Groningen gezien bovendien op een onmogelijke plek. Om ze te ontsluiten, zou een lang kanaal nodig zijn geweest. Zo’n vaarroute zou dan de Nienoordse Venen en landerijen bij Leek hebben moeten kruisen of gebruik moeten maken van bestaande Ommelander (veen)kanalen. Op die venen en veenkanalen had de adellijke familie Von Inn- und Knyphausen het als erven van de familie Van Ewsum, oude opponenten van de stad, het voor het zeggen. Gelet op de voortdurende spanning tussen de stad en de Ommelander heren was het al met al geen aanlokkelijk perspectief. Een laatste argument voor het stadsbestuur om hun veen hier voorlopig te laten rusten, was de aanwezigheid van de grens met Friesland. Waar die grens precies lag was, zoals in zoveel onaangesneden veen- en heidegebieden, nog allerminst bepaald.

Friese verveners

Aan de Friese zijde van de grens was de vervening al rond 1600 in volle gang, vooral in het noorden, nabij Surhuisterveen. Vanaf 1641 kwam de vervening ook verder zuidwaarts op gang, met Drachten als apex. Daar was een begin gemaakt met de Drachtster Compagnonsvaart, die vanaf 1659 richting Bakkeveen werd doorgetrokken. Al in de jaren 1617-1631 hadden de Staten van Stad en Lande zich afgevraagd of de venen langs de Lauwers tot Groningen dan wel tot Friesland behoorden. Meteen na aankoop gelastten burgemeesters en raad een visitatie van de scheiding tussen Friesland en het nieuwe stadsbezit te Trimunt (27 juni 1618). De vraag rond de ligging van de grens bleef voorlopig onbeantwoord. Vervolgens waren het hun Friese collega’s die in de jaren 1658-1669 aandrongen op een regeling. Bij de definitieve grensbepaling – zo’n zestig jaar later – zou overigens blijken dat de Frieschepalenvaart als onderdeel van de Drachtster Compagnonsvaart op zijn minst vierhonderd meter binnen Friesland was gebleven. Maar ditmaal toonden de Staten van Stad en Lande nauwelijks belangstelling. Bij de laatste poging van Friese zijde (1669) tot een oplossing van de ‘quaestieuze’ grenzen bij Frieschepalen te komen, lagen Stad en Ommelanden weer eens met elkaar overhoop; nu vanwege een conflict tussen de Groninger raadsheer en vervener Ludolf Coenders (bewoner van de Nuisemer Coendersborg) en zijn buurman, de Ommelander jonker Georg Willem van Inn- en Knyphausen van de Nienoord bij Midwolde/Leek. Tijdens onderlinge schermutselingen bij het nabije Bolmeer was zelfs een dode gevallen. De hele kwestie kwam in juli 1669 voor een commissie van de Groninger Staten, die met dit interne grensconflict voorlopig andere ‘limietkwesties’ dan een grensregeling met Friesland aan hun hoofd hadden.

Grensregeling

Pas in 1716 liet men vanuit Stad en Lande weer wat horen. Op 19 september van dat jaar namen de Staten aldaar een resolutie aan tegen Friese verveners die met wijken vanuit Ureterp en Siegerswoude op hun territoir waren opgerukt. De Friese verveners waren vooral op het grondgebied van Trimunt ver doorgedrongen, waardoor het stilaan klachten regende ‘over het nadeel’ dat veel ingezetenen van Vredewold ‘door Ingesetenen van Uwe Edelmogenden Provincie wierde toegevoegt’. Zo formuleerden de Staten van Stad en Lande het in een schrijven dat zij in juni 1717 aan hun Friese collega’s verzonden. Het spreekt voor zich dat de onderlinge aanspraken, vooral ook rond Trimunt, elkaar flink ontliepen. De Groningers maakten aanspraak op een gebied dat tot aan Warbos (ongeveer ter plekke van de latere kern van Drachtstercompagnie) reikte. De Friese aanspraken volgden niet toevallig een lijn die de noordgrens van het vanuit de Drachtstercompagnonsvaart aan te snijden veencomplex volgde; een gebied dat gedeeltelijk al was bereikt door middel van haaks op die vaart staande wijken. Men kwam desondanks snel (op 12 juli 1720) tot overeenkomst. De toen gemaakte afspraken werden op 7 juli 1724 bevestigd na enig gesteggel over de dijkplicht van Visvliet in Kollumerland en meer nog over Drentse bezwaren tegen de grens bij de Zwartendijksterschans. Sindsdien ligt de provinciegrens bij Trimunt vast.

Opties

Vervolgens bleef het jarenlang stil op de velden rond Trimunt en De Haar. Uit de kaarten van De Haar en Trimunt die kort na de grensregeling door Hindrik Warner Folckers in opdracht van het stadsbestuur getekend zijn (1727), blijkt dat de Friese verveners hun activiteiten op Gronings gebied hadden gestaakt. Folckers plaatste bij een zevental wijken de opmerking dat zij nog ‘door die van Frieslandt waren gegraaven voor de laaste Limijdtscheijdinge’. De vier stadsboeren konden voorlopig ongestoord verder gaan met hun kleinschalige gebruik van de heidevelden en hoogvenen.
Pas dertig jaar later toonde de stad een hernieuwde interesse voor haar veen hier. Die belangstelling was in eerste instantie het gevolg van het op raken van de Sappemeerster venen en de naderende uitgifte van de laatste Pekelder veencomplexen. Het einde van de veenproductie in de eigen stadsvenen begon in zicht te komen en aan het einde van de jaren 1750 begon men zich ten raadhuize af te vragen wat de volgende stap zou zijn: meer veengebieden aankopen en aan snee brengen of zich concentreren op de ontsluiting van nieuwe veengebieden door middel van kanalen. In de jaren na 1760 werd uiteindelijk – getuige de start van het Stadskanaal – voor de laatste optie gekozen, maar dat wist men uiteraard nog niet in de jaren 1757/1758. De verpachting van de vierde turf (die de stad als een vorm van belasting in natura van zijn eigen venen hief) in het gebied Sappemeer was in het eerstgenoemde jaar plots gehalveerd. Hij zou vervolgens weliswaar uit het dal klauteren, maar nooit meer zijn oude niveau bereiken. De verpachting van de Pekelder vierde turf was het jaar daarop ook al een fiasco, zij het achteraf bekeken een incidentele ‘dip’.

Winbaar veen

Met deze tegenvallende resultaten in hun achterhoofd zond het stadsbestuur stadsbouwmeester en kaarttekenaar Allard Verburgh eind november 1758 op pad naar Trimunt en De Haar. Hij keerde de maand daarop terug met een kaart waarop de meetresultaten van de veendikten stonden aangegeven. Bij Ter Haar had Verburgh 8171,5 vierkante roeden (13,7 hectare) winbaar hoogveen ter dikte van gemiddeld twee meter aangetroffen, waarvan de helft grauwe en de helft zwarte turf. Dit veldje lag pal ten noordoosten van de schans Frieschepalen. Er lag gemiddeld twee meter winbaar veen in het circa 110 hectare grote Trimunter veen rond de uiteinden van de onvoltooid gebleven Friese wijken. Op 27 januari 1759 besloot het stadsbestuur, gelet hun geringe omvang, de venen maar aan particulieren te verkopen, maar precies een week later kwam men al op dit besluit terug.

Een dwarswijk aangekocht

Inmiddels was burgemeester Reneke Busch de Marees ter ore gekomen dat ‘eerstdaags stond verkogt te worden een halve inwijk of vaart met eenige weinige ponden mate (de Friese landmaat, 0,3674 ha) uitgegraven land, gelegen in de Provincie van Friesland en strekkende tot nabij de Stadsveenen onder De Haar en Trijmunte’. Burgemeesters en Raad gingen daarop akkoord met zijn voorstel om deze halve wijk voor de stad aan te kopen ‘als sijnde seer geschikt en dienstig om te sijner tijd de turf uit gemelte veenen af te voeren.’ Als de stad dan vervolgens dan ook de hand op de andere helft van de wijk kon leggen, beschikte zij over een dwarswijk op de Bakkeveenster Vaart. Die bood via Drachten en Buitenstvallaat verbinding met de Friese wateren en via Friesland met de belangrijkste afzetmarkt: Holland. In november 1759 werd onderhandeld met Lykle Andries, eigenaar van de andere helft van de wijk, maar deze zag als echte ‘Wâldpyk’ een handeltje wel zitten en deed de stadsbestuurders terstond een tegenvoorstel. Hij was bereid voor 10.000 Caroliguldens ongezien al het veen onder de beide Trimunter plaatsen aan te kopen. Hoewel men hier op de Groote Markt wel oren naar had, ging zo’n verkoop uit angst voor schadeclaims van de meiers op de stadsboerderijen niet door. Zij zouden namelijk lange tijd afstand moeten doen van hun boekweitakkers op het veen. De van Andries aangekochte wijk maakte intussen een ontsluiting van de westelijke Trimuntervenen mogelijk. Hij liep zuidwaarts met een knik langs de Huchten. Dit is de boomgroep die momenteel halverwege de viaducten Wytharst en de Scheiding doorsneden wordt door de A7. De Huchten staan op achttiende-eeuwse kaarten nog als de Driebergen (waren zij het oorspronkelijke Tribus Montibus?) aangegeven. De wijk mondde in de Ureterpster- of Bakkeveenstervaart uit tegenover de Skoalleane.

Recht van doorvaart

Naast eventuele bezwaren van zijn stadsmeiers had Groningen nog een probleem. Zoals Stad zelf gerechtigd was op haar eigen veenkanalen als tolheffer, zo had ook de Bakkeveenster Vaart een eigenaar, de te Bakkeveen woonachtige gewezen raadsheer in het Hof van Friesland, jhr. Edzard Hobbe van Burmania (1698-1772). Stadsrentmeester Arnold Hendrik Berghuijs kwam op 10 oktober 1761 met Van Burmania tot overeenstemming. De stad verkreeg in ruil voor één vijfde van de verkochte turf de vrije doorvaart door zijn ‘Vaerten en Vallaten van Ureterp en Drachten tot in de gemeene provinciale wateren’. Tezelfdertijd kwam Groningen tot een akkoord met zijn meiers in Trimunt en De Haar. Gedurende de tijd van de veengraverij zouden zij afzien van eventuele schadeclaims voor het tijdelijke verlies van hun veenbouwten. Na het voltooien van de vervening zouden zij de ondergrond van het te vergraven veen – die de stad gewoontegetrouw in eigendom hield – terugkrijgen. De bedrijfsgebouwen kregen ze van de stad in volle eigendom en de ondergrond van de venen plus de overige landerijen onder het voor hen veel voordeliger recht van ‘permanente beklemminghe’. Pas in december 1761 kocht Groningen van Eje Geeles en consorten een gunstig gelegen (dwars)wijk aan, de zogeheten Modderikswijk. Deze lag ten westen van de schans Frieschepalen en opende de Trimunter venen voorzover ze tegen het Mandeveld (een gemeenschappelijk heideveld tussen Trimunt en De Haar) aan lagen.

Regelmatige, vierkante percelen

Enkele weken eerder (8 december 1761) had de stad het eerste veen onder De Haar verkocht. Het ging om vier ongelijke perceeltjes van in totaal 2100 vierkante roeden (3,52 ha) die voor 2524 Caroliguldens van de hand gingen. Tot de verkoopbepalingen behoorde de verplichting voor de kopers het veen binnen vijftien jaar uit te graven of te baggelen. Na drie jaar moest men wel zoveel veen hebben vergraven dat in ieder perceeltje de halve wijk ‘zoo wel in de lengte als in de breedte bequaam kan worden ingelegt’. De veenbazen kregen het recht van vrije uitwatering ‘door een bequaame grup op aanwijs te graven onder de weg door, beneden de Schans in de landscheidinge’. Daartoe zouden zij een pomp of duiker onder de weg aanleggen, blijkbaar aan de noord- of Groninger zijde van de schans Friesche Palen. Daarmee zou het overtollige water op de bovenloop van het Oude Diepje worden geloosd.
Nu kon de stad ook voldoen aan een eerder verzoek van Burmania om hem een voorschot van drieduizend gulden te verstrekken. Maar de gegraven turf kon hier niet eerder worden verscheept, dan nadat de stad van de Friese raadsheer dr. Ayso van Boelens en de eerdergenoemde Lykle Andries een tweede wijk ten oosten van de Frieschepalen had aangekocht (12 oktober 1762). Meteen verkocht Groningen weer drie percelen veen (1285 vierkante roeden) van mindere kwaliteit voor in totaal ( 745,50. In oktober 1763 gingen ook de eerste vier veenpercelen onder Trimunt van de hand voor gemiddeld een daalder de vierkante roede.
Meer nog dan de Haarster percelen ‘de welke bij pollen en dallenen voor het grootste gedeelte in smalle strepen sijn leggende’, kon men op het Trimunterveld regelmatige, vierkante veenkavels in het veld uitzetten van elk 30 bij 30 roeden, dat wil zeggen 900 vierkante roeden, ofwel 1,5 hectare. Van die regelmatigheid vinden we nog restanten terug in de verkaveling van de weilanden langs de Scheiding tussen de A7 en het tot rechte sloot vergraven Oude Diepje.

Swette

Eind 1766 leek het er echter even op dat belendende rechthebbenden en eigenaren roet in het eten zouden gooien. De karspellieden van Ureterp hadden zich bij het stadsbestuur gemeld met de klacht dat er meer water dan afgesproken uit de venen van Trimunt en De Haar door de Ureterpervaart afstroomde. Een en ander betekende volgens hen meer onderhoudskosten aan het diep en de wallen. De ‘Oerterpsters’ schatten de oppervlakte die extra op hun vaart afstroomde op 509 lopenstallen (een in de Wâlden gebruikelijke landmaat van 3353 m2, dus in totaal 173 hectare). Rentmeester Berghuijs zag kans deze claim voor 275 gulden ineens af te kopen. Het andere probleem was ingewikkelder. Enkele maanden eerder had Hindrik Tonnis, de eigenaar van de ten noorden van Trimunt liggende plaats Topweer zich gemeld met de klacht dat Berghuijs in 1765 stukken veen had verkocht die naar Tonnis’ mening zijn eigendom waren. Tonnis wilde hierover geen messen trekken met de stad en vroeg om een minnelijke schikking. Om die reden was Berghuijs op 3 december 1766 tezamen met syndicus (stadsadvocaat) Tiddens en Allard Verburgh ter plekke het veld ingetrokken. Daar lag een ‘swette’ of landscheiding tussen Topweer (Opende), ooit een uithof van Gerkesklooster, en Trimunt. Deze nu nog als Leidijk bekend staande scheiding was in 1472 door de kloosterlingen van Trimunt opgeworpen en een voortdurende steen des aanstoots geweest tussen de Trimuntsters en de Openders.

Koehandel

Met Hindrik’s zoon Tonnis en schoonzoon Lubbe Berents kwam men ter plekke overeen dat de omstreden venen in volle eigendom van de stad zouden blijven. Vanaf de zogeheten Puntpaal op de grens van de Friese grietenijen Smallingerland en Opsterland met Stad en Lande zou het eerste deel van de limietscheiding (746 meter) de westelijke begrenzing van het door de stad verkochte veen volgen. Vandaar zou de ‘dusverre quaestieuse swette, de swette zijn (en dus blijven) tusschen Trimunte en Topweer’. Als tegenprestatie mochten de Topweersters hun wijken op die van de stad aansluiten en zo hun turf afvoeren, tegen een som ineens van 125 gulden. De drie stadsdienaren maakten nog melding van een merkwaardig voorval die ochtend van de derde december. Terwijl zij bij Hindrik Tonnis op bezoek waren met de voorlopige overeenkomst, gaf deze hen te kennen in 1764 vier vijfde van zijn veen (circa 84 hectare) aan Lijkele Andries te hebben verkocht. Omdat ook de omstreden gedeelten daartoe behoorden was, zo meldde Tonnis, ook Andries’ toestemming vereist. Die weigerde maar Tonnis had het veen wel weer terug kunnen kopen, voor de som van 6000 gulden. Nu verzocht hij de heren uit de stad hem dit geld voor te schieten. Op termijn zouden zij het voorschot met rente en behoud van een kwart van het veen aan de stad terug betalen. Berghuijs en de zijnen zagen wel wat in deze ‘deal’. Maar op het raadhuis was men een andere mening toegedaan. Onder dank aan de ambtenaren voor ‘hunne vriendelijke en sincere offerte’ werd een dergelijke koehandel resoluut afgewezen.

Nuttigheid en voordeel

Burgemeesters en Raad schatten in januari 1765 dat al het veen onder Trimunt en De Haar in veertien jaar (dus per ultimo 1778) zou zijn verkocht en het geheel 50 à 60.000 gulden zou opbrengen. Deze raming zou naderhand blijken niet ver naast de waarheid te zitten. Toen in 1783 de laatste twaalf perceeltjes (van in totaal 187 percelen) van de hand gingen, was er in totaal 76.755,5 vierkante roede (128,7 ha) veen verkocht voor een som van ( 63.364. Daarbij ontpopten Lykle Andries en zijn zoon zich overigens als de belangrijkste verveners.
De stad Groningen zou trouwens niet lang meer eigenaar blijven van haar Trimunter domein. In 1810 was men uit financiële nood gedwongen het gehele bezit, de uitgeveende landen, de bouw- en weilanden als ook heidevelden van de hand te doen. Koper werd de Friese vervenersfamilie Van Teyens. Een enkele sloot en enige wegrestanten herinneren aan deze tot dusverre vrijwel onbekende stad-Groninger vervening. De venen onder Trimunt en De Haar ‘zolange inutil en als ware vergeten zijnde geweest’ hadden de stad inderdaad ‘nog eenige nuttigheid en voordeel uitgeleverd’, in ieder geval het zesvoudige van het bod dat de belangrijkste koper, de veenbaas Lykle Andries er in 1759 op had uitgebracht.

Geraadpleegde literatuur
Schroor, Meindert – ‘Tusken Lauwers en Linde: de grinzen fan Fryslân mei Grinslân, Drinte en Oerisel benammen yn de 18e ieu’. It Beaken (52) 1990, 161-193.
Schroor, Meindert – De Atlas der Stadslanden van Groningen (1724-1729). Groningen, 1997.
Schroor, Meindert – Stadstaat Groningen. De Groninger stadsrechten en buitenbezittingen 1612-2000. Groningen, 1999.

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
vanaf €37,50