De onophoudelijke verwondering van Noud de Wolf

Hij laat zich inspireren door Erik Satie, door Shoichito Higlichi en door elfen en kabouters. Muziek, filosofie en het kleine volkje zijn soms uitgangspunten in het werk van beeldhouwer en monumentaal vormgever Noud de Wolf in Groningen.

TEKST
Ansje Monkhost

Noud de Wolf werkt graag met contrasten. In de stad de natuur terugbrengen en in de natuur een verbinding leggen met de verstedelijking. Water en stenen, onregelmatigheid; dat is in zijn visie wat de mensen in de stad nodig hebben. De tuin van het Natuurmuseum, een oase in de stad, die refereert aan wat zich buiten de stad afspeelt. ‘Maar zodra je in de natuur iets doet, moet je iets anders laten zien, want die natuur is daar al’, aldus De Wolf en hij ontwierp een 200 meter lang scherm van roestbruin cortenstaal rond de Piccardthofplas, dat het licht van de voorbijschietende autokoplampen moet weghouden bij de vogels die in grote getale op de plas overnachten.

Praten met de plas

De uitgangspunten voor de vormgeving zijn ingegeven door de plas zelf. ‘Vaak ben ik bij de plas geweest, ’s ochtends vroeg, overdag en bij zonsondergang. Ik heb de plas gevraagd of hij wel een scherm wilde hebben. Het antwoord was ontkennend. De plas wilde meer bomen, meer vogels en alleen stille mensen om zich heen. Ik vertelde dat er alleen maar meer auto’s zouden komen en dat ik plannen had om een katalysator te bedenken die een zachte, zelfs muzikale overgang tussen de twee werelden zou bewerkstelligen. Hiermee ging de plas akkoord, op voorwaarde dat het een scherm zou zijn van materiaal dat uit de aarde komt, een zachte en natuurlijke kleur zou hebben, beweeglijk zou zijn als het water en de eigen schoonheid niet zou overheersen. Met deze belofte ben ik aan het werk gegaan.’
Het is maar te hopen dat de plas achteraf niet protesteert, want de constructie die De Wolf bedacht, is heel erg technisch en voor het grootste deel geproduceerd in een fabriek. Het lichtscherm bestaat uit een reeks cortenstalen platen, 96 in totaal, die op gelijke afstanden van elkaar haaks op de richting van de weg staan. Er zijn vier maten, de grootste is 1,75 meter hoog bij 2,15 meter. Via onderzoek werd nauwkeurig berekend wat de vorm van de platen en de onderlinge afstand zou moeten zijn, wilden ze voor de wandelaar het doorzicht op de plas behouden, maar aan de andere kant wel de lichtbundels van de koplampen tegenhouden. Het resultaat bestaat uit zes millimeter dikke platen die in de fabriek van Staalbouw Smid in Hoogkerk in een flauwe s-bocht werden gewalst om de beweging in alle richtingen voort te zetten en de sterkte te vergroten. De hoeken van de platen werden afgerond en het oppervlak werd gestraald, waardoor een rulle sterk lichtabsorberende structuur ontstond, die snel de roodbruine oxidelaag krijgt die het materiaal beschermt.

Katalysator tussen natuur en mens

‘Ik heb geprobeerd iets te maken dat twee functies heeft. Een afscherming van de autolichten, dat is een technische functie, en de functie van verbinding tussen die natuurplas en de nieuwe wijken en de autoweg, die er vlak langs loopt. Dat kon niet anders, want het terrein dat een stuk verder ligt, is een moeilijk terrein waar geen weg kon worden gepland. Wat ik nu heb gemaakt is, wat ik noem een katalysator tussen de natuur en de mensenwereld. De platen staan verticaal in de grond. Het zijn steeds series van vier platen van verschillende maten en bij de vijfde wordt de plaat omgedraaid en verschijnt de volgende serie van vier in spiegelbeeld. Het resultaat is een golvende beweging in drie dimensies, die net als het water continu in beweging is als je eroverheen kijkt. Toch is het gemaakt van een industrieel materiaal, dat weer bij die mensenwereld behoort. Anders had het nooit bestaan. Staal bestaat alleen maar dankzij de mensen, anders heb je alleen maar ijzererts. De beweging die erin zit, ontleen ik aan Erik Satie en dan met name de Gnossiennes nummer 4. Daar zitten langzame maten in, een, twee, drie, vier, die ook datzelfde ritme hebben.’

Tuin als kunstwerk

Het is voor de eerste keer dat Noud de Wolf een project van een dergelijke omvang realiseert. Weliswaar was ook de tuin bij het Natuurmuseum niet alledaags werk, maar toch van een geheel andere orde. Een rustplek om op adem te komen in een stedelijke omgeving. Water, stenen en onregelmatigheid zijn in zijn visie nodig voor de stadsmens, die omgeven wordt met van tevoren kant-en-klaar ontworpen gebouwen en huizen. Geïnspireerd door uitspraken van Shoichito Higlichi over de onontbeerlijkheid van kunst en natuur in het stedelijk landschap, ontwierp De Wolf een open ruimte. ‘In tegenstelling tot het lichtscherm is de tuin gegroeid. Het is eigenlijk als een heel kleine opdracht begonnen en later uitgegroeid tot een heel grote.’ Aanvankelijk bestond het plan uit een ontwerp voor een besloten tuin, totdat de Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Groningen, die zelf bezig was met een facelift voor het gebied rond het museum en de Academie voor Bouwkunst, er lucht van kreeg en met het voorstel kwam de plannen in elkaar te steken. Het resultaat is een tuin als een kunstwerk, die door middel van keien doorloopt in de omgeving. De tuin zelf wordt betreden via twee opvallende hekken van cortenstaal, één aan de Reitemakersrijge en één aan de singelkant. De grillige vormgeving van de hekken symboliseert een bos, een samengedrukt bos. In dit imaginaire bos ligt de tuin die is opgebouwd uit een groot aantal steenformaties, deels brokken dolomiet, deels zwerfkeien opgevist door Zoutkamper vissers uit de Noordzee.
Door de tuin loopt een pad, dat ook toegankelijk is voor slechtzienden. Het is voorzien van twaalf markeringen in de vorm van grindstroken, tien voor bijzondere planten en twee voor dito stenen. De slechtziende kan van markering naar markering lopen, vindt daar aan zijn rechterhand een aantal stenen op een stok. Het aantal stenen geeft het nummer aan van de bezienswaardigheid. Via de walkman kan men luisteren naar de uitleg. Het plantenmateriaal is zo gekozen dat aanraken van essentieel belang is. Alleen de heuvel die links van het pad loopt, is niet toegankelijk voor slechtzienden. Er is geld aangevraagd voor een leuning, maar daar zit weinig schot in. Hetzelfde geldt voor de fontein, die Noud de Wolf had gepland. En dat is jammer, zo meent hij, want water en dan vooral het geluid van water, was essentieel voor zijn ontwerp. ‘Maar’, zo zegt hij, ‘een dergelijk gigantisch plan loopt altijd uit op een aantal compromissen. Ik vind dat in zekere zin jammer, maar ik lig er ook niet echt wakker van. Maar dat water moet er eigenlijk wel komen, want een oase zonder water is natuurlijk niks.’

Prikkelen

Niet alleen een fontein staat op het verlanglijstje van De Wolf. Hij heeft ook nog een ontwerp gemaakt voor een uitkijkpost bij het windscherm, zodat wandelaars kunnen genieten van het uitzicht over de plas. Via het al bestaande wandelpad wordt de bezoeker geleid naar het hoogste punt, waarvoor de dijk moet worden opgehoogd. Het pleintje dat hier op negen meter hoogte moet ontstaan, wordt omsloten door een verticale plaat van cortenstaal, een soort rugdekking voor de wandelaar. Een trap van hetzelfde materiaal moet de bezoeker van veraf verleiden tot een bezoek aan het pleintje. Het liefste had hij hier een torentje willen neerzetten. Een torentje met een paar gaten erin om doorheen te kijken. ‘Dat zou de suggestie wekken dat de dijk bewoond is door een volkje dat wij niet kennen maar dat er wel is. Maar zo is onze cultuur niet en bij Ruimtelijke Ordening vonden ze het al helemaal niets. Ontwerpers hebben in tegenstelling tot kunstenaars vaak een heel esthetische manier om dingen aan te kleden. Als het maar mooi is vormgegeven dan is het klaar. Maar ik probeer er altijd meer in te stoppen. Ik wil de mensen nu eenmaal graag prikkelen. Beeldhouwen is voor mij het onnoembare benoemen en het onzegbare zeggen.’

Sluit je aan bij Noorderbreedte!
Laat u informeren en inspireren over alles wat mooi, bijzonder en in ontwikkeling is in het Noorden!
vanaf €37,50