Dorpen schimmelen door
Hans Elerie
De oproep van Tialda Haartsen in de vorige Noorderbreedte om nu eens op te houden over 'witte schimmel' - de veelvuldig verfoeide nieuwe wijkjes aan de rand van bestaande kernen - is niet besteed aan Hans Elerie. Ondanks alle nota's over ruimtelijke kwaliteit die de laatste tien jaar zijn verschenen, zijn de meeste dorpsuitbreidingen volgens hem nog altijd van een bedroevend niveau. In dit artikel vergelijkt Elerie de hedendaagse uitbreidingen met de naoorlogse. En hij analyseert waarom het maar niet lukt om het 'kwaliteitsdenken' te vertalen naar de praktijk.
Als het aan het huidige kabinet ligt mag het platteland weer
bouwen. De VROM-inspecteurs worden teruggeroepen in hun hok. Dat
lijkt op het eerste gezicht een flinke opsteker voor dorpen die
graag nog wat willen groeien. Maar zal er ook echt iets
veranderen? Het hangt ervan af of provincies en gemeenten het met
elkaar eens kunnen worden. Een ding is zeker: de kwaliteit van
het uitbreidingsplan zal opnieuw ter discussie staan.
Het projectbureau Belvedere dat een paar jaar terug is ingesteld
door drie ministeries, heeft het voortouw genomen. Geheel in de
lijn van haar lijfspreuk 'behoud door ontwikkeling' verkent zij
de strategie van het zogenoemde dorpsgroeien. Die strategie wordt
omschreven als 'een zoektocht naar kwalitatieve groei'. Het gaat
hier, anders gezegd, om het vinden van een medicijn tegen witte
schimmel.
In het Noorden duurt die zoektocht nu al meer dan tien jaar. De
verschijning in 1993 van het manifest De teloorgang van het
Drentse esdorp vormde de aftrap van een breed discours over de
toekomstige kwaliteit van de gebouwde leefomgeving in het
landelijk gebied. Hoogtepunt vormde de reeks Dorpslandschappen
van het Keuning Instituut en Noorderbreedte, waarin deze
problematiek vanuit verschillende invalshoeken werd uitgediept.
Ongetwijfeld heeft dit kwaliteitscircus ook zijn uitstraling
gehad op het landelijke debat, al was het maar vanwege de
aansprekende kwalificatie 'verschimmeling'.
Op papier is er dus al heel wat uitgedacht. Zo stond in de jaren
negentig de toekomstige inrichting van ons land geheel in het
teken van het kwaliteitsdenken. De gestrande Vijfde Nota
Ruimtelijke Ordening stond er bol van. Zijn we 'de witte schimmel
voorbij' zoals eind 2003 werd afgekondigd op de voorkant van het
themanummer Plattelandsmetropool van Noorderbreedte?
Bij een kritische blik op de alledaagse leefomgeving verliest het
kwaliteitsdenken al snel zijn glans en geloofwaardigheid. Dat
geldt zeker voor de kwaliteit van de dorpsuitbreidingen in de
afgelopen tien jaar. De schimmel is door de nieuwe mode weliswaar
van kleur verschoten, maar ook de nieuwste uitbreidingen zijn
vaak niet anders dan onderhoudsvriendelijke steenpuistjes voor zo
veel mogelijk vrijstaande woningen.
We moeten helaas vaststellen dat de zoektocht naar kwalitatieve
groei is blijven steken in verleidende ontwerpen en retoriek. Het
kwaliteitshandelen is nog lang niet op de werkvloer geland. De
schaarse experimenten hebben de verkokerde uitvoeringspraktijk en
de ingesleten tradities niet kunnen veranderen. De fixatie op het
beeld heeft ons in de afgelopen jaren afgeleid van de essentie
van dorpsgroeien, namelijk: hoe geef je als overheid sturing aan
het kwaliteitsvraagstuk? Het gaat dus vooral om de hervorming van
een praktijk en veel minder om de inhoud van de ontwerpopgave
zelf.
De Drentse praktijk
In dit artikel staat de Drentse praktijk centraal. Deze provincie
worstelt al jaren met de planmatige groei van dorpen. De
discussie over de kwaliteit van nieuwe dorpsuitbreidingen
ontstond al voor de oorlog, toen de hoofddorpen van de gemeenten
uitgroeiden tot lokale verzorgingskernen. De groei voltrok zich
volgens een eenvoudig principe: langs de doorgaande uitvalswegen.
Zo ontstond de bekende spinpootstructuur die de oude kern rond de
brink en de kerk uit elkaar trok.
Deze 'Belgische groeiwijze' van het Drentse esdorp, in de
negentiende eeuw nog het kroonjuweel van de romantiek, werd door
tal van deskundigen verfoeid. In het begin van de oorlog werden
de eerste stedenbouwkundige plannen ontwikkeld om dit euvel te
bestrijden. Maar de 'tekentafelplannen' gooiden nog meer olie op
het vuur van de destijds fanatieke heemkundelobby. Men verweet de
door Berlage geïnspireerde plannenmakers een on-Drentse
ontwerphouding die vooral uitblonk door de ontkenning van het
karakteristieke.
Na de oorlog constateerde de in 1941 opgerichte Provinciale
Streekplandienst dat de in het verleden goedgekeurde
bestemmingsplannen hopeloos waren verouderd. In vrijwel geen
enkel dorp kon aan de grote woningbehoefte worden voldaan.
Vanwege de woningnood was er geen ruimte voor tijdverslindende
procedures. Met een uitzonderingsregel kon via de raad een
versnelde herzieningsprocedure in gang worden gezet. Door het
snel inhuren van 'uitheemse' stedenbouwkundigen wist de nog jonge
Provinciale Streekplandienst haar greep op de uitvoering te
versterken.
De naoorlogse uitbreiding
Inmiddels had de discussie over de inpassing van nieuwe
dorpsuitbreidingen een nieuwe wending gekregen door de publicatie
van Dorpen in Drenthe in de bekende Heemschutserie. Samensteller
van deze later bijgewerkte klassieker was mr. A. Kleijn die zich
als burgemeester van Zweeloo ook in de eerdere discussies had
gemengd. Als pragmatisch ingestelde bestuurder slaagde hij erin
een gedegen historische analyse te koppelen aan een heldere
toekomstvisie. Met deze 'behoud door ontwikkeling'-benadering was
hij zijn tijd ver vooruit. In de komende decennia zou Dorpen in
Drenthe een vast baken vormen in de zoektocht naar een
'verantwoorde' groei van de Drentse dorpen.
De toenmalige directeur van de Provinciale Streekplandienst Den
Boer wist de toekomstvisie van Kleijn te vertalen in een heldere
beleidsopgave voor nieuwe dorpsuitbreidingen van de hoofddorpen.
De oude dorpskern moest met rust worden gelaten want deze bood
door de afwezigheid van rooilijnen en het dominerende karakter
van groen en open ruimten weinig houvast voor een
stedenbouwkundige uitbreiding. Aan de rand van het oude dorp
moest dus gezocht worden naar een goede plek voor een zorgvuldige
inpassing van het nieuwe uitbreidingsplan. 'Een goede samenhang
van de nieuwe bebouwing met het oude dorpsgedeelte zal kunnen
worden verkregen door een forse groenbeplanting in en rondom de
nieuwe uitleg aan te brengen': dit simpele uitgangspunt vormde
tot in de jaren zeventig de belangrijkste richtlijn voor de
uitwerking van uitbreidingsplannen voor de hoofddorpen.
Het resultaat hiervan was wisselend en afhankelijk van de lokale
situatie, maar volgens de huidige maatstaven zijn de
uitbreidingen van toen over het algemeen duurzaam en van hoge
kwaliteit wat betreft de openbare ruimte en de landschappelijke
inpassing. Oude groenstructuren werden zo veel mogelijk opgenomen
in het stedenbouwkundige plan en met de nieuwe aanplant verwerkt
tot een typisch Drents casco met brinkachtige ruimten,
zichtlijnen en vloeiende overgangen van openbaar naar privé.
Daarbij werd gezocht naar een eigentijdse interpretatie van
identiteit, waardoor in veel hoofddorpen een zekere gelaagdheid
is ontstaan van wijken uit jaren uit de jaren vijftig, zestig en
zeventig.
Verliespost
Minder gunstig scoren de oude dorpsuitbreidingen qua
gebruikswaarde en functionaliteit. Volgens de huidige normen
zouden we het ruimtegebruik als ronduit verspillend typeren en
staat de opbrengst in geen verhouding tot de gemaakte kosten. Het
aantal woningen per hectare is laag en ligt onder de huidige
Vinex-norm. Veel van die naoorlogse dorpsuitbreidingen zouden nu
in de bijzondere categorie 'groen wonen' vallen.
Het zou de moeite waard zijn een onderzoek te doen naar de
naoorlogse uitbreidingen van de Drentse dorpen. Dat zou wel eens
interessant materiaal kunnen opleveren voor de nieuwe opgave van
dorpsgroeien. De uitkomsten kunnen de gestandaardiseerde praktijk
van dorpse stedenbouw opnieuw prikkelen en het instrumentarium
voor het nieuwe ontwerpen verrijken. We hoeven het wiel tenslotte
niet altijd weer opnieuw uit te vinden.
Niettemin moeten we ons bewust zijn van de bijzondere
omstandigheden waaronder de naoorlogse dorpsuitbreidingen tot
stand zijn gekomen. In de eerste plaats bestond er tot in de
jaren zestig nog geen centraal aangestuurde meningsvorming en
regelgeving voor dorpsuitbreidingen. Dat bood ruimte voor
regionale verbijzondering. De toen nog gezaghebbende Provinciale
Streekplandienst wist dat vacuüm te benutten.
Daarnaast was de uitvoeringspraktijk minder verkokerd en
gespecialiseerd dan nu. Generalisten als een directeur
gemeentewerken of een gedreven directeur van een streekplandienst
konden invloed uitoefenen op kwaliteit van plannen. Het
opdrachtgeverschap was toen meer gebonden aan persoonlijke
voorkeuren en informele netwerken.
Niet onbelangrijk was ook dat woningbouw in die tijd nog werd
gezien als een sociale en politieke (ideologische) opgave. Het
economische aspect was nog van ondergeschikt belang. Jarenlang
vormde het gemeentelijke grondbedrijf van met name de kleine
plattelandsgemeenten een forse verliespost. Toch is het opvallend
dat ook in de krappe 'Bogaarsperiode' in Drenthe een aantal
fraaie dorpsuitbreidingen werd gerealiseerd.
De opkomst van de planologie
In de tweede helft van de jaren zestig werd ook Drenthe
geconfronteerd met het verschijnsel verstedelijking. Voor de
hoofddorpen werden steeds grotere uitbreidingsplannen uitgewerkt.
De particuliere woningbouw voor de uitwijkende stedeling groeide,
terwijl het aandeel van de huurwoningen afnam. In navolging van
de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening werd nu ook in Drenthe het
concept van de 'kernenhiërarchie' aangescherpt: volgens de
provinciale visie Drenthe Anno kon er in de toekomst alleen nog
in bijzondere omstandigheden in de kleine kernen worden gebouwd.
Hoewel de kleine kernen nog nauwelijks van de verstedelijking
hadden geprofiteerd, was de intentie duidelijk: ten koste van
alles moest een ongecontroleerde verstedelijking worden
tegengegaan.
Het leek allemaal zo mooi. Een wetenschappelijk gefundeerde
planologie die de maatschappelijke ontwikkelingen dicteert!
Vanuit die gedachte kon je ook de ruimtelijke kwaliteit
controleren door ontwikkelingen gewoon te verbieden. De vaak nog
ongeschonden kleine dorpen gingen zo een beschermde toekomst
tegemoet, eenvoudiger kon het niet. Maar al snel werd duidelijk
dat deze strategie ook een keerzijde had. De verbodsplanologie
werkte verlammend op het kwaliteitsdenken. Want als je kwaliteit
kunt conserveren, waarom zouden we ons dan druk maken om de
ontwikkeling van nieuwe kwaliteiten?
Het rapport Drentse Dorpen van de Provinciaal Planologische
Dienst vormde een laatste poging om de kwaliteitsdiscussie nieuw
leven in te blazen. Het vervolg, waarin een visie op nieuwe
dorpsuitbreidingen zou worden ontwikkeld, is nooit verschenen.
Jonge gezinnen
Het aanvankelijke optimisme over een sturende en
controlerende ruimtelijke ordening werd al tijdens de inspraak op
Drenthe Anno getemperd. Het inspraakcircus bleek een doos van
Pandora. Het provinciaal bestuur had de vitaliteit en vooral de
assertiviteit van de 'kwijnende' kleine dorpen onderschat. De
discussie over de ruimtelijke toekomst van Drenthe werd ineens
gedomineerd door de zogenoemde kleine-kernenproblematiek. De
Brede Overleggroep Kleine Dorpen in Drenthe (BOKD) dankt er zijn
bestaan aan.
In de jaren zeventig was de situatie in de kleine dorpen bepaald
niet florissant en scheen de toekomst ongewis. De overgang van de
agrarische werkgemeenschap naar de meer pluriforme
woongemeenschap, de gezinsverdunning en de schaalvergroting
legden een zware druk op de leefbaarheid en het lokale
voorzieningenniveau. In brede kring werd woningbouw als een
oplossing gezien. Maar de tijd besliste anders. In de
laagconjunctuur van de jaren tachtig bedachten gemeenten zich wel
drie keer om voor hun kleine dorpen uitbreidingsplannen te
ontwikkelen die vervolgens tien jaar of langer braak zouden
liggen.
Eind jaren tachtig trok de economie echter weer aan en
tegelijkertijd groeide de belangstelling voor het landelijke
wonen. Tegen de verwachting in bleken met name de kleine dorpen
zich te ontwikkelen tot een populair vestigingsmilieu voor jonge
gezinnen. Met de auto en de diepvries werd het
voorzieningenvraagstuk opgelost. In snel tempo werden nu ook voor
de kleine dorpen uitbreidingsplannen ontwikkeld.
Echte projectontwikkelaars
Inmiddels is de praktijk van dorpsuitbreidingen door een
aantal nieuwe ontwikkelingen ingrijpend veranderd. In het kader
van de deregulering en de versterking van de gemeentelijke
autonomie heeft de provincie nog slechts een bijrol in de
procedure. Om dit te compenseren hanteert de provincie kwistig
het rode potlood. In het nieuwe Provinciaal Omgevingsplan (POP)
wordt de verbodsplanologie aangescherpt door middel van een
contourenbeleid: cultuurhistorisch waardevolle nederzettingen,
waaronder veel kleine dorpen, worden beperkt in hun
groeimogelijkheden of krijgen een groeiverbod. De discussie over
ruimtelijke kwaliteit van dorpsuitbreidingen onttrekt zich aan de
werkvloer en beperkt zich tot nota's en symposia. De relatie van
de provincie met de gemeenten verliest aan inhoudelijk gezag en
juridiseert.
In de economische hausse van de jaren negentig hebben de
gemeenten zich ontwikkeld tot echte projectontwikkelaars. Na
jaren van verlies is het grondbedrijf ineens een aantrekkelijke
inkomstenbron geworden, waarmee rotondes of fietspaden
gefinancierd kunnen worden. Een beperkt aantal stedenbouwkundige
bureaus heeft in de plattelandsgemeenten een belangrijke greep
gekregen op de uitvoeringspraktijk. Het kwaliteitsprogramma dat
vanuit het gemeentehuis wordt aangeleverd past op de achterkant
van een bierviltje. De opgave wordt vooral gezien als een financiële
en civiel-technische operatie. De aansturende generalist is van
het toneel verdwenen en vervangen door de manager en de
specialist. Een goed opdrachtgeverschap is nu een kwestie van
veel organiseren en communiceren.
Vreemde lichaamsdelen
In relatief korte tijd heeft de nieuwe praktijk van
deregulering z'n uitwerking gehad op de verschijningsvorm van
Drentse dorpslandschappen. Dat geldt ook voor de silhouetten van
veel kleine dorpen die tot de jaren negentig nog slechts in
beperkte mate waren getekend door nieuwbouw. De nieuwe generatie
dorpsuitbreidingen zijn letterlijk steenpuisten geworden. Het
zijn verkavelingsplannen voor zo veel mogelijk vrijstaande
woningen, de kavels zijn klein in verhouding tot de bouwmassa. De
identiteit van de plek speelt geen rol in het ontwerp of in het
beste geval als routine in de toelichting. De digitaal ontworpen
uitbreidingen leggen als vreemde lichaamsdelen een groot beslag
op de visuele ruimte. Door het ontbreken van een overgangszone
dissoneren de achterkanten in het landschap. De nieuwe wijkjes
zijn in zichzelf gekeerd en communiceren niet met het oude dorp
en het landschap. De versnipperde openbare ruimte is door
onderhoudsvriendelijke bodembedekkers rommelig en ontoegankelijk.
De huidige praktijk lijkt dus mijlenver verwijderd van de
ambities met betrekking tot dorpsgroeien. De dorpsstedenbouw is
afgezakt naar een bedenkelijk niveau en dat is zorgwekkend als we
bedenken dat de woonfunctie van het landelijk gebied enorm in
betekenis is toegenomen. Het is ook jammer voor het vakgebied dat
hier een interessante uitdaging laat liggen. De grote variatie in
nederzettingen en dorpslandschappen en de altijd weer andere
genius loci, bieden als vanzelf een rijk programma voor
karakteristieke woonmilieus.
Uitgekleed
De terugval van de dorpsstedenbouw is uiteraard niet typisch
Drents. Het is wel opmerkelijk dat een provincie met een zekere
faam op het gebied van dorpswonen haar voorsprong zo snel is
kwijtgeraakt. De deregulering en een strikte scheiding van
verantwoordelijkheden maakte een abrupt einde aan het samenspel
van gemeente en provincie. De nieuwe relatie is afstandelijk en
formeel en gaat in hoofdzaak over de exploitatieopzet en de
plancapaciteit. Op het uitvoeringsniveau staat de
stedenbouwkundige kwaliteit nauwelijks meer ter discussie. Die is
verplaatst naar het vrijblijvende discours van congressen en
afscheidsrecepties.
Aan die praktijk hebben enkele geslaagde experimenten in het
kader van landschappelijk bouwen weinig kunnen veranderen. Na de
ingrijpende herindeling zaten de nieuwe gemeenten niet echt te
wachten op nieuw beleid. Daar komt nog bij dat de afdeling
woningbouw via het winstgevende grondbedrijf binnen het
gemeentehuis een zeker gezag heeft opgebouwd. In een tijd van
bezuinigingen zal daar niet gauw aan worden getornd.
Een heikel punt blijft ook de gemeentelijke autonomie. Met de
gebruikelijke retoriek werd deze eind jaren tachtig door de
politiek heilig verklaard. Vooral van de deregulering had men
hoge verwachtingen. Maar zoals dat wel vaker gaat, waren meer
regels het resultaat. Door het knellende korset van de rode
contour zijn puistjes het gangbare alternatief geworden voor de
dorpsuitbreiding. En terwijl de handelingsruimte van de provincie
sterk werd ingekrompen, groeide de stapel nota's over ruimtelijke
kwaliteit.
De gewone burger begrijpt er zo langzamerhand niets meer van. In
de afgelopen tien jaar zijn de prijzen voor bouwkavels vele malen
over de kop gegaan, terwijl de uitbreidingsplannen steeds verder
werden uitgekleed. Zorgvuldig wordt ieder bouwontwerp op
welstandsaspecten getoetst, maar een toets op de kwaliteit van
het uitbreidingsplan ontbreekt. Het is de wereld op z'n kop.
Vruchtbare dialoog
Hoewel de belangstelling voor dorpswonen de laatste
jaren sterk is gegroeid, zien steeds minder dorpen het reguliere
nieuwbouwwijkje zitten. Bij een enquête van de BOKD in 2001 koos
een ruime meerderheid voor landschappelijk bouwen. Dit biedt
wellicht perspectief voor een meer interactieve aanpak die de
huidige impasse uit de sfeer van bestuurlijke competentie kan
trekken. In principe zou ook de 'ontwikkelingsplanologie' de
kloof tussen droom en daad kunnen overbruggen. Het gaat hier om
een initiërende vorm van ruimtelijk beleid die nieuwe wegen
zoekt om sneller tot resultaten te komen. De Nota Ruimte spreekt
zich niet expliciet uit over de kwaliteit van dorpsuitbreidingen.
Al dit soort ambities, die in voorgaande rijksnota's nog
uitvoerig werden benoemd, worden nu onder het vloerkleed van de
aloude basiskwaliteit geveegd en gezien als een gezamenlijke
verantwoordelijkheid van provincie en gemeenten. Klassieke
begrippen als gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde
worden dus weer sturend voor de kwaliteit van dorpsuitbreidingen,
maar de vraag is of de provincies voldoende wettelijk en
inhoudelijk gezag in huis hebben om deze samenwerking vorm te
geven. Wachten op Den Haag, waar men nu vooral lijkt
gepreoccupeerd door de problematiek in de Randstad, is niet
verstandig. De regio kan ook zelf het initiatief nemen.
In Drenthe kunnen landschappelijk bouwen en dorpsgroeien een
stevige basis krijgen door een regionale aanpak te combineren met
interactieve planvorming. Essentieel is dat er een vruchtbare
dialoog totstandkomt tussen bewoners, bestuurders en deskundigen,
die resulteert in een ontwikkelingsvisie waarin de kwaliteit van
het dorpslandschap en de sociale vitaliteit op elkaar worden
betrokken. Bij zo'n aanpak kan Drenthe zijn faam op het terrein
van dorpswonen in ere herstellen en landt het kwaliteitsbeleid
als vanzelf op de gemeentelijke werkvloer. <
Hans Elerie is directeur van de Brede Overleggroep Kleine
Dorpen in Drenthe, en publicist.