Over de rand van de eindmorene
Wandeling ten westen van de Havelterberg
Klaas Prins
Toen ik in 1950 hoofdakte-examen deed, stelde de examinator mij de vraag: 'Hoe zou U de hoogten rond Steenwijk willen kwalificeren?' Cursusleider Steven Derksen had ons op deze vraag voorbereid. Lange tijd wisten geologen zich geen raad met deze bulten. Waren het oerstroomruggen, stuwwallen of morenen? En wat voor morenen dan? In het Handboek der Geografie van G.J.A. Mulder, standaardwerk voor de geografenopleiding uit de eerste helft van de vorige eeuw, lezen we hierover: 'De hoogten bij Steenwijk, bv. De Bisschopsberg, die hier aan de oppervlakte de scherpe zuidgrens tegen de lage gronden vormen, bestaan uit een dikke opeenhoping van grondmorenmateriaal (plaatselijk 3-6 m), zodat wel eens de vraag is gerezen, of men hier met een echte eindmorenen te doen heeft, te meer, daar ook de oppervlaktevormen aan een eindmorene herinneren.'
Mulders veronderstelling leidde tot een nieuwe theorie. In de derde ijstijd wisselden koude en koudere perioden elkaar af. Het ijs trok zich terug en kwam weerom. Door dit aan te nemen durfden geologen het aan om in die derde ijstijd een periode aan te wijzen waarin in ons land de zuidgrens van de gletsjers liep over de lijn Texel-Wieringen-Gaasterland-Steenwijk-Coevorden. Met deze theorie van wat men in de tweede helft van de twintigste eeuw de Drentse periode is gaan noemen, werden de bulten bij Steenwijk beschouwd als eindmorene. De eindmorene bij Steenwijk is enig in zijn soort. Hij bezit de typische drumlinkenmerken en vertoont een klassieke stuwwalboog, die een tongbekken omsluit. Waar de eindmorene voor de waterafvoer uit het tongbekken doorbroken is, stichtte de bisschop van Utrecht aan het einde van de twaalfde eeuw de vesting Steenwijk, om zich te beschermen tegen de invallen van de Friezen.
Jugendstil en Amsterdamse school
Deze Olde Veste ligt aan de spoorlijn Zwolle-Leeuwarden.
We vangen de wandeling aan op het pas gerestaureerde
stationsplein. Het station uitkomende vraagt de fraaie Jugendstil
villa Frisia onze aandacht. We gaan linksaf de Tramlaan op.
Hierover reed tussen 1914 en 1937 het trammetje naar Oosterwolde.
Aan het einde van de Tramlaan gaan we naar rechts de
Stationsstraat in. Ook in deze straat zien we een aantal van de
vele Jugendstilpanden, waaraan de stad Steenwijk rijk is. Het
plein bij de verkeerslichten wordt door de Steenwijkers
Oosterpoort genoemd. Tot 1829 stond die poort er ook. In dat jaar
is de Rijksstraatweg Meppel-Steenwijk aangelegd. Op aandrang van
Rijkswaterstaat is die poort toen afgebroken. We gaan linksaf. De
Rijksweg heet hier Meppelerweg. Aan de bouwstijlen van de huizen
is duidelijk te zien dat het pas tot aan de vorige eeuwwisseling
heeft geduurd voordat er bebouwing langs deze weg kwam. Ook hier
weer een aantal fraaie Jugendstilpanden. De woningen rechtsvoor
zijn onder architectuur van Evert van Linge gebouwd, een van de
meest vooraanstaande vertegenwoordigers van de Amsterdamse School.
Het gebouw van de Rabobank is een mooi voorbeeld van de
hedendaagse utiliteitsbouw, waarin de ronde lijn domineert.
De Kamp
We lopen de Meppelerweg af tot aan de rotonde, gaan daar
rechts omhoog de Gagelsweg in. We zijn nu op De Kamp. Eeuwenlang
zijn de kampgronden gebruikt voor akkerbouw en groenteteelt in de
koude kas. Vanuit Steenwijk trokken de groentekwekers de streek
in om hun producten af te zetten, tot aan het hof van Marijke
Muoi in Oranjewoud toe. Daaraan kwam een einde toen in de tweede
helft van de vorige eeuw de kwekerijen moesten wijken voor
woningbouw.
Wij steken aan het einde van de heuvel de weg over naar het
steenmonument De Lente. Steenwijk heet niet voor niets Steenwijk.
De bodem van De Kamp is bezaaid met talloze grote en kleine
stenen. Eeuwen lang was het zoeken van stenen een bron van
inkomsten zowel voor de burger als voor de magistraat. In het
verleden werd als vorm van dienstverlening het vergaren van een
groot aantal manden stenen als straf opgelegd aan wetsovertreders.
Vele miljoenen keien zijn ooit naar elders (Holland en Friesland
maar ook wel verder) verscheept, vooral ter versterking van
dijken en oevers. Nu nog worden de vele keien in allerlei vormen
en kleuren toegepast als bestrating, als markering van inritten
bij boerderijen en als erfafscheidingen. Bij de aanleg van de
wegen rond Steenwijk stuitten de bulldozers bij voortduring op
grote keien. Het monument dat aan de Schansweg staat, is een
schepping van de Steenwijker kunstenaar Hendrik Planten. Er staan
er vier langs deze weg.
Onna
Wij lopen ongeveer 250 meter naar rechts en steken dan de
Schansweg over om het pad dwars over De Kamp te nemen. Halfweg
wordt dit pad genoemd. Links kijken we neer op het dorp Onna
(On= niet, A= water). Onna was eeuwenlang de droge plek in het
veengebied.
Bij de tweede viersprong gaan we linksaf en komen dan op de
Onnase Doodweg. De naam stamt vermoedelijk uit de zestiende eeuw.
Langs deze weg werden de doden uit Onna naar het kerkhof bij de
grote kerk in de stad gebracht. De kerkelijke wetten schreven
voor dat de doodweg zo breed moest zijn 'dat de vier den vijfde
daarover mogen dragen'. Aan de Onniger Doodweg, zoals hij in de
volksmond wordt genoemd, heeft eens een groot kruisbeeld gestaan,
waarbij de begrafenisstoet een ogenblik stilhield om voor de
zielenrust van de overledene te bidden.
Wij houden links aan en dalen af tot Zuidveen.
Zuidveen
Zuidveen is een wegdorp met veel doorkijkjes naar het weidse
veenpolderlandschap. Dat we hier in een overgangsgebied zijn, is
ook te zien aan de boerderijen. Bij veel boerderijen zou men
kunnen spreken van kop-rompbouw. Er is echter weinig eenheid.
Ieder voorhuis is weer anders. De meeste bedrijven hebben de
baander aan de voorkant, maar er zijn er ook waar de baander in
de zijgevel van het bedrijfsgedeelte zit, wat overeenkomsten
vertoont met het Saksische boerderijtype.
We lopen Zuidveen door tot aan paddestoel 25080 bij de Trappenweg.
We gaan daar weer omhoog. De Steenwijker skyline, waarin de
Clemenstoren domineert, wordt ons in zijn volle glorie getoond.
Bovenop gekomen gaan we bij de tweede kruising naar links.
Lange Mudden
De paden op de Kamp zijn authentiek en gaan terug tot in
de vroege Middeleeuwen. Lange mudden en Korte mudden waren
oorspronkelijk akkerlanden van het St. Katharina Gasthuis. Mudde
wordt hier gebruikt in de betekenis van een (oude) landmaat. Een
mudde is zoveel land als met een mud zaad bezaaid kan worden (40
aren). Deze verharde paden zijn ontstaan uit stenen die van de
akkers werden gehaald en uit puin dat eeuwenlang daar is gestort.
Aan het einde van de Lange Mudden ligt het Kiepebossie, een
overblijfsel van een schansje uit de Tachtigjarige oorlog. Met de
blik op de Olde Veste is duidelijk waarom de Spanjaarden in 1580/81
hier hun hoofdkwartier hadden.
Internationale betekenis
Onbegrijpelijk is dat het Steenwijker gemeentebestuur
juist in dit gebied woningbouw gepland heeft. Tot aan de
Trappenweg is het gebied beschermd via het streekplan. Het
laatste deel van ons ommetje over De Kamp ligt echter open.
Tegen deze omissie is door het comité Behoud De Kamp bezwaar
aangetekend. Alhoewel een gedeputeerde verzekerde een eventueel
bestemmingsplan voor de Kamp terug te sturen naar het
gemeentehuis van Steenwijk met de mededeling:'Zoek eerst een
ander locatie', is de beschermingslijn niet doorgetrokken.
Tijdens de wandeling wordt duidelijk dat dit open glooiende
landschap, afgewisseld door houtwallen met eiken omzoomde paden
en een enkele solitaire boom, nu juist een gebiedje is waarop in
de nota Belvédère wordt geduid. Voor de Steenwijker Kamp hoeven
minister Pronk en staatssecretaris Faber geen geld uit te trekken
om het vee in de schaduw van het groen te laten lopen. Het gebied
is niet voor niets op de nieuwe aardkundige kaart van ons land
opgenomen met de indicatie van internationale betekenis.
We moeten echter weer naar het station. Dat is niet moeilijk, want de ANWB-borden wijzen ons de weg. Neem er de tijd voor want ook in de stad is veel moois te zien.
Met dank aan G.M. Laar, H. Prinsen-de Vroome, W. Oosterhuis,
drs. Jaap Tuit en de Historische Vereniging Steenwijk.